Keukentafelgesprek #24

Geplaatst op november 23, 2019 | Gearchiveerd The Semidaily Kuitenbrouwser | Reageer

Ambtenaar 1 : Zo, meneer Burger, waar was u nou, vorige week?

Meneer Burger: Eh, thuis?

Ambtenaar 2: Wij hadden toch een afspraak?

Meneer Burger: Ja, ik zat te wachten. Aan de keukentafel.

Ambtenaar 3: Maar u moet toch híer komen?

MB: Dat wist ik niet. Ik denk een ‘keukentafelgesprek’, dat is hier, bij mij. Dus ik zat klaar, aan de keukentafel. Ik heb nog speciaal een rol biscuitjes gehaald, en op mijn leeftijd is dat…

A1 (tegen 2 en 3):  Zeg, wat is dit? Een simulant of wat?

A2: Meneer Burger, het keukentafelgesprek vindt plaats bij de geméénte. Hier, in het BurgerServiceTrefpuntKantoor.

MB: Maar dit is toch geen keukentafel? Het lijkt mij meer een vergadertafel…

A1: Meneer Burger, die keukentafel, dat bedoelen wij figúúrlijk, om het allemaal wat, wat, wat ménselijker te maken, begrijpt u?

MB: Nee.

A1: Nou ja! Meneer Bu…

A2: Rustig, laat mij maar even. Meneer Burger, wij willen graag met z’n allen de transitie maken van slagboom naar hefboom, dat weet u toch? Maar daar moet u ons wel een beetje bij helpen!

MB: Slagboom? Ik ben met de bus.

A1: Nou ja! Wat ís dit!?!

A3: Alzheimer?

A2: Meneer Burger, weet u waar dit gesprek over gaat?

MB: Dat de zuster niet meer komt?

A2: Meneer Burger, gewoon wordt weer gewoon – zegt dat u iets?

MB: Nee. Gewoon ís toch gewoon?

A1 (tegen 2 en 3): Djiezus! Wat is er met deze man aan de hand!?

A2: Een vorm van afasie of zo?

A3: Meneer Burger, hoe is het met uw zelfinzicht?

MB: Dat is prima, ik kijk tv zonder bril.

A2: Hoeveel eigen regie kunt u aan?

MB: Regie? Eh…

A3: Wij willen graag de vraag achter de vraag weten. Wat is er daadwérkelijk aan de hand?

MB: Nou, het begon met m’n been, maar toen…

A2: Nee nee nee, meneer Burger, niet meteen uw hele medische geschiedenis gaan vertellen, dat weet u toch? Het gaat om uw zórgvraag.

A1 (tegen 2 en 3): Wat ís dit? We hebben toch niet voor niets die workshops?! Worden die niet gevolgd?

A3: Meneer Burger, u krijgt voortaan zorg op maat, dat weet u toch? Maar dan moet u wel een beetje meewerken! De vorige keer hebben we u een brochure meegegeven, weet u nog? Daar staan al die nieuwe woorden in, wat het allemaal betekent en hoe u moet antwoorden en zo. Heeft u die niet gelezen?

MB: Nou, ik heb hem doorgebladerd, maar ik begreep er niet veel van. Sorry.

A1 (geïrriteerd, tegen 2 en 3): Ja, hállo! Als mensen de wórkshops niet volgen begrijpen ze de fólders natuurlijk ook niet! Waar zij we dan mee bezig?!

A2: Meneer Burger, de workshop, ‘Voorbereiden op het keukentafelgesprek’, heeft u die niet gedaan? Die moest u toch doen? Het is gratis!

MB: Ja, maar ik hád me voorbereid, dat zeg ik toch? Ben ik zowat een hele een dag mee bezig geweest! De keuken aan kant, theeservies afgewassen, koekjes gehaald… en op mijn leeftijd is dat best een hele…

A1 (onderbreekt MB): Oké mensen, dit wordt niks. Wie is de casemanager?

A2: Meneer Burger, wie is uw casemanager?

MB: Kees?

A2: Uw case-ma-na-ger!

MB: Ja, vraag het maar aan hem.

A2: Huh, aan wie?

MB: Aan Kees.

A3: Kees wie?

MB: Kees, de manager. Zo heet-ie toch?

De ‘partcipatiesamenleving’ een Potemkindorp van taal.

Geplaatst op november 22, 2019 | Gearchiveerd The Semidaily Kuitenbrouwser | Reageer

NRC OKTOBER 2013

Het is een misverstand om te denken dat het vooral de privésector zou zijn die zich verschanst achter muren van reclame, marketing, ‘communicatie’ en public relations. De overheid investeert zeker zoveel in ‘beeldvorming’ als de privésector, zo niet meer. Was er dertig jaar geleden nog een groot verschil tussen ‘voorlichters’ in overheidsdienst en de ‘PR-jongens’ van het bedrijfsleven, twee werelden die weinig grensverkeer kenden, tegenwoordig worden beiden in principe bediend door dezelfde professionele diersoort, en zijn transfers aan de orde van de dag.

Nog niet zo lang geleden waren overheidsvoorlichters vrijwel altijd oud-journalisten, maar dat aandeel daalt ten gunste van professionals met een opleiding in communicatiemanagement, die de journalist als een natuurlijke tegenstander, zo niet vijand beschouwen, hoe zeer zij er ook op getraind worden om dit vroom te ontkennen. Vanuit de opdrachtgever geredeneerd is die houding ook logisch. Ik heb mij wel eens verbaasd over oud-journalisten die voorlichter waren geworden, de geringe affiniteit met hun nieuwe werkkring die zij aan de dag leggen en de meesmuilende manier waarop zij erover praatten. In hun hart zijn zij eigenlijk nog altijd journalist, hebben zij heimwee naar hun nieuwsdagen, die ten einde kwamen toen er een gezin gesticht werd en een hypotheek moest worden afgelost, of toen het promotiepad omhoog, zoals op veel redacties, verstopt bleek te zitten met veel meer pretendenten dan er stoelen te vergeven zijn. De journalist die met plezier zijn hele loopbaan verslaggever blijft, is zeldzaam. De meerwaarde die zij als communicatiemedewerker inbrengen is dat zij weten hoe de journalistiek werkt, een netwerk opgebouwd hebben en een aardig stukje kunnen tikken. Daar tegenover staat een niet onverdeelde loyaliteit aan hun nieuwe broodheer. Dat organisaties liever mensen inzetten voor wie het communicatievak hun primaire roeping is, het als discipline serieus nemen en op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen en geen sentimentele banden met de journalistiek hebben, is begrijpelijk. Ook omdat overheden de afgelopen jaren steeds agressiever zijn geworden in hun communicatie en zich steeds meer bedienen van strategieën die tot voor kort behoorden tot het domein van de ‘reclame’, ‘marketing’ en ‘propaganda’.

Communicatie die niet gericht is op het bekend maken en verduidelijken van beleid, zoals vanouds, maar op het verkopen van beleid. Het verkopen van de overheid zélf, hoe paradoxaal dat ook mag klinken. Wij zijn immers ‘eigenaar’ van de overheid, waarom zouden wij hem nog moeten kopen? 

Een goed voorbeeld is de campagne ‘Nederland verandert en de zorg verandert mee’, uit 2016, van het ministerie van VWS. De campagne moest bekendheid geven aan de veranderingen in de zorg als gevolg van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, de WMO, die veel zorgtaken gedecentraliseerd heeft naar de gemeenten. In een reeks commercials, uitgezonden op televisie, wordt de indruk gewekt alsof de veranderingen door de WMO de burger louter vreugde en geluk zullen brengen. Bijvoorbeeld voor ‘mevrouw Pietermaai’, die slecht ter been is en ondersteuning nodig heeft. Haar zoon ‘Tyron’ stelt haar gerust: zij krijgt straks onder het nieuwe regime alle zorg die zij nodig heeft, net als altijd, maar dan van de gemeente. Dit is niet zo. De WMO betekent dat gemeenten bestaande zorgvragen opnieuw gaan wegen en beoordelen – het fameuze keukentafelgesprek – waarbij mevrouw Pietermaai bijvoorbeeld te horen kan krijgen dat haar hulp vervalt zolang haar lieve, zorgzame Tyron nog kan bijspringen. Zou de voorlichting over een dergelijke grote nieuwe wet zich twintig jaar geleden beperkt hebben tot praktische wenken, ingebed in optimistische algemeenheden, hier werd welbewust een onjuist beeld geschetst. Hier was sprake van consumentenmisleiding. De slagzin alleen al, ‘Nederland verandert, de zorg verandert mee’ suggereert dat de WMO slechts een noodzakelijke reactie is op veranderende behoeften in de samenleving, terwijl de wet vooral reageert op politieke behoeften in Den Haag, in het bijzonder die tot bezuinigen. ‘De zorg verandert en Nederland verandert mee’ – zou een betere slagzin geweest zijn. Of, nog beter: ‘De zorg verandert en Nederland zal wel mee moeten veranderen.’

Niet voor niets werd tegen die campagne een klacht ingediend bij de Reclame Code Commissie, die hem toekende.

VWS ging tegen de uitspraak in beroep en de argumentatie die zij naar voren bracht illustreert precies de ontwikkeling die overheidsvoorlichting de afgelopen decennia heeft doorgemaakt. VWS accepteerde de uitspraak van de Reclame Code Commissie niet omdat de campagne geen reclame was, maar ‘ideële voorlichting’. En de RCC draaide het om: als de overheid zich niet meer beperkt tot betrouwbare, ideële voorlichting maar onbeschroomd reclame gaat maken, dan moeten die uitingen dus ook als reclame worden beoordeeld. ‘Deze commercials schaden het vertrouwen dat de burger moet kunnen hebben in de juistheid en volledigheid van denkbeelden die de overheid verspreidt,’ oordeelde de commissie, zij handhaafde het oorspronkelijke oordeel en verzocht het Ministerie dringend niet meer op deze wijze te communiceren.

De gewraakte commercials zijn maar een onderdeel van de massieve communicatie-inspanning waarmee de invoering van de WMO gepaard ging, die iets weg had van een nationale hersenspoeling. Letterlijk duizenden rapporten en folders en brochures en voorlichtingsvideo’s zijn eraan besteed. Een zo’n video, geproduceerd door het ministerie van VWS, heet ‘De taal van het sociaal domein’ en is bedoeld betrokkenen vertrouwd te maken met het nieuwe vocabulaire dat bij deze wet hoort. ‘Méédoen! Hoe práten wij erover!?’

Verantwoordelijkheid, eigen krachtbenadering, integraal, dichtbij, keukentafelgesprek, eigen regie, eigen verantwoordelijkheid, participatie, zelfredzaamheid, professionele ruimte, gewoon-wordt-weer-gewoon, vraag-achter-de-vraag… Het is een Alice-in-Wonderland-achtige newspeak, de taal van een brave, nieuwe wereld. Een Potemkin-dorp van taal.

De bedoeling van de WMO gaat veel verder dan om een bestaande werkelijkheid te reguleren, het is een brutale poging om een nieuwe werkelijkheid te creëren.

Groen Privilege

Geplaatst op oktober 5, 2019 | Gearchiveerd The Semidaily Kuitenbrouwser | 3 Reacties

YouTube Preview Image

In 2016 besloot het kabinet dat Nederlandse huishoudens zo snel mogelijk ‘gasloos’ moeten worden. De winning in Groningen wordt verminderd of zelfs beëindigd,  er worden geen nieuwe huizen meer gebouwd met een gasaansluiting en de bestaande huizen met gas moeten op termijn overschakelen op een alternatief. Aan dat besluit was nauwelijks een maatschappelijk debat voorafgegaan, ineens was het er. Aldus besloten, wen er maar aan. Voor installateurs is het een ingrijpende maatregel, een belangrijk deel van hun werk valt weg. Toch hebben we geen landelijke optocht van witte busjes naar Den Haag gezien, geen boze gasfitters op het Malieveld.  Tja, denken de installateurs, de technologie staat niet stil, tijden veranderen, wij verzinnen wel weer iets anders. We zijn tenslotte ondernemers.

In 1996 werd de auto-katalysator verplicht. Herinnert u zich de boze betogingen van de autobranche? Of in 2008 de protestmarsen van het Schipholpersoneel, toen de vliegtaks werd ingevoerd?

Nee, dan de boer.

Afgelopen maandag stond in Nederland de langste file aller tijden, dankzij het grootste trekkerkonvooi ooit op de been gebracht, voor ‘de grootste boerendemonstratie in de Nederlandse geschiedenis’. Aanleiding: een proefballonnetje van een D66-Kamerlid van wie tot vorige week nog nooit iemand gehoord had. Die zei dat de manier waarop in Nederland vee gehouden wordt niet houdbaar is, en je die problemen het hoofd kunt bieden door de veestapel ongeveer te halveren. Geen concrete maatregel, geen plan, geen beleidsvoornemen, een gedachte, die in de landbouwpolitiek al een jaar of dertig in verschillende gedaanten circuleert en omarmd is door deskundigen met aanzienlijk meer aanzien in de agrarische wereld dan Tjeerd de Groot. Agro-paus Herman Wijffels bijvoorbeeld.

Intussen heeft de boer overigens weinig te vrezen. Dat er ondanks wijze adviesraden, gewichtige commissies en vrome voornemens bitter weinig verandert in de landbouw is omdat geen bedrijfstak zo sterk vertegenwoordigd is in de wandelgangen van de macht als de agrosector. Het Groene Front, een hecht netwerk van politiek-economische relaties, stevig verankerd in het politieke midden, is nagenoeg onneembaar, al honderd jaar. Waar zijn de boeren eigenlijk bang voor? Dat taaie vlechtwerk van pluche, krijtstreep en schuttersveld heeft ze tot nu toe nog nooit in de steek heeft gelaten. Die goede oude kleefstrip aan het plafond, waar elke horzel die de sector benadert onverbiddelijk aan vastgeplakt komt te zitten, om na enig verontwaardigd gezoem de geest te geven?

Maar dit protest ging niet om beleid. De boeren zijn boos. Vanwege ‘een gebrek aan waardering’, zoals de actieleider zei. De ‘negatieve beeldvorming’ van de boer als milieudelinquent. En die stalbranden, altijd weer die stalbranden, mopperde een demonstrant op het Malieveld. Hou daar eens over op!

Een berg subsidie, een hotline met de macht én schouderklopjes, voor minder doet de Nederlandse boer het niet. Alsof wij de schoonmakers, de vakkenvullers, de orderpickers, de stadswachten, de koffersjouwers, de vuilnismannen, de bordenwassers en de beveiligers zonder wie de samenleving net zo goed tot stilstand zou komen – alsof wij die wél op handen dragen. Dus vanwaar eigenlijk deze aanspraak op respect en waardering?

Die bijzondere status van de boer zou je ‘groen privilege’ kunnen noemen. In ‘witte’ culturen is de ongelijke verdeling van privileges voor zwarte mensen volkomen duidelijk, zij ervaren ze elke dag aan den lijve. De voorrechten voor witte mensen – white privilege – zijn cultureel zo diep verankerd, dat witte mensen zich er vaak nauwelijks van bewust zijn. Zij zijn onbewust onderdeel van een misstand. Als zwarte mensen hen daarop attenderen, reageren witte mensen vaak onbegrijpend, geïrriteerd, beledigd. Zij genieten privileges zonder dat zij het voelen. Datzelfde zie je nu bij de boeren: zij worden aangesproken op hun groene privilege, en reageren gekrenkt, want zij voelen zich niet geprivilegieerd. Wat vaak beweerd wordt van sociale uitkeringen, dat ze mensen onzelfstandig, initiatiefloos en afhankelijk maken, lijkt op de Nederlandse boer ook van toepassing: hij is vergeten dat hij een ondernemer is, maar wil ook niet onder ogen zien dat hij een client van de schatkist is geworden, die weinig te willen heeft. Dat de samenleving hem steunt, structureel, is vanzelfsprekend geworden.

In de jaren vijftig en zestig kon je als boer niet industrieel genoeg voor de dag komen, met geautomatiseerde melkinrichtingen voor ultraproductieve uberkoeien en geavanceerde landbouwmachines op enorme ruilverkavelde akkers vol Wageningse supergewassen. De boer als bedrijfsleider in een grijze stofjas. In de jaren zeventig en tachtig kwam het milieubewustzijn, en de boer en de voedselindustrie pasten zijn imago aan: hij werd een lieve, zorgzame, hardwerkende natuurliefhebber die voor dag en dauw opstaat opdat wij verse melk op de cornflakes hebben. Die eigenhandig de Hak-erwtjes oogst onder toezien van die lieve, degelijke Martine Bijl. Die de kinderen optrommelt als er een kalf geboren wordt en het jong echt niet zo’n gemeen plastic label aan het oor zou nagelen als het niet moest van de EU. De STER-boer en zijn Libelle-boerderij, de warmgepenseelde facade waarachter de agroindustrie ongestoord zijn gang kon gaan, zodat de consument zonder gewetensbezwaren onbestaanbaar goedkoop voedsel kon kopen.

En als er ondanks die idylle een partnertekort ontstaat op het platteland, springt ook de nationale omroep bij met een paringsprogramma waarin zorgvuldig gecaste kandidaten in gesponsorde kabeltruien gesponsorde krentenmik eten van gesponsord boerenbontservies. Waar geen plofkip in voorkomt en nooit een koe geschopt wordt.

Die kunstmatig gebalanceerde boeken, dat imago van de aaibare dierenvriend aan wie wij dank en waardering verschuldigd zijn, je kunt de boeren nauwelijks kwalijk nemen dat zij indie fictie zijn gaan geloven en boos worden als hij wordt doorgeprikt. Zij worden gesubsidieerd, zij zijn deugdzaam, zij hebben recht op applaus en waardering, maar in plaats daarvan worden zij aangesproken op hun medeplichtigheid aan een kwalijk systeem. Gevolg: een narcistische krenking.

Vandaar die gekwetste, emotionele reacties op Tjeerd de Groot’s uitspraak. Niet ‘een slecht plan’, niet ‘een onjuiste analyse’, nee, een ‘ongelooflijke schoffering! (CDA Kamerlid Geurts). ‘Niet chic,’ zei landbouwminister Schouten, ‘als je als boer of boerin elke ochtend hard aan het werk bent en dan in de krant leest dat je wel grotendeels kunt verdwijnen.  Vervang ‘boer’ en ‘boerin’ in dat citaat door ‘gasfitter’ en ‘gasfitster’ en zoek de verschillen. Groen privilege.

Bevoorrechte beroepsgroepen die moeten inleveren zullen zich altijd verweren met het argument dat niet zíj, maar wí­j daar de dupe van worden. ‘Tactisch altruisme’ noemde de socioloog Han Leune dit ooit. De leraren in de jaren zeventig, toen zij moesten inleveren: dit gaat ten koste van uw kinderen. De medisch specialisten in de jaren tachtig, toen hun tarieven omlaag moesten: u wilt toch goed behandeld worden? De boeren doen dit ook. De notie waaraan zij vroeger hun trots ontleenden – wij voeden de natie – wordt ingezet voor emotionele chantage: maak ons niet boos, anders gaan jullie met een knorrende maag naar bed. Terwijl ruim driekwart van onze agroproductie voor de export is, onder andere naar landen waar geen boeren zijn en ze hun voedsel gewoon importeren. Zelf doen wij dat ook. Maar ongeveer een-derde van ons dagelijks voedsel wordt in Nederland geproduceerd.

Zelf denken de boeren ongetwijfeld dat hun actie van afgelopen dinsdag een groot succes was, en op het eerste gezicht lijkt daar ook weinig op af te dingen: een grotere opkomst dan verwacht, een media roadblock, zoals PR-mensen het noemen – je kon geen medium raadplegen of het ging over de boeren – de volledige Nederlandse politiek verdrong zich op het Malieveld rond de microfoon, de hashtag #trotsopdeboer was trending, kortom, alle hokjes voor een succesvolle sociale actie konden worden aangevinkt.

De boeren hebben hun narcistische krenking met aplomb afgereageerd, maar of ze er verder iets mee zijn opgeschoten is zeer de vraag. Dat je duizend trekkers op een rij kunt krijgen is op zich een aardige prestatie, en wellicht balsem op een gekwetste ziel, maar veel meer ook niet. De belofte van Carola Schouten dat zij de veestapel niet zal halveren, was totaal gratuit. In de gepubliceerde tekst van haar toespraak werd diezelfde middag al het woord ‘gedwongen’ toegevoegd, en voor zo’n reductie, vrijwillig óf gedwongen, is haar ambtstermijn sowieso veel te kort, dus zij paaide de menigte vooral met haar onmacht. Vreest niet, ik ben een papieren tijger.

Het optreden van oud-staatsecretaris van Landbouw Henk Bleker werd direct doorgeprikt als een genant staaltje populistische schijnheiligheid, aangezien het precies deze politieke eendagsvlieg was die, toen hij dan even aan de knoppen zat, ze trefzeker de verkeerde kant op draaide. Bleeker deed alsof hij daar stond als stoere boer, maar hij stond er als mislukte bestuurder. Dat hij niet uitgejouwd werd, illustreert het gebrekkige politieke bewustzijn van de Nederlandse boer.

Een dag na het protest werd bekend dat de mars stevig gesponsord werd door verschillende grote agro-concerns, een van hen sprak later van een bedrag van ‘minimaal vijf cijfers’. (Zes? Dan heb je het over tonnen). Een deel van die trekkers was dus voor een onzichtbaar karretje gespannen. In dit tijdperk van argwaan en wantrouwen, waar iedereen voortdurend op zoek is naar verborgen agenda’s en geheime belangen, kost dat bonuspunten.

Een gelouterde actieleider had de boeren nog kunnen uitleggen dat demonstreren zonder een concrete eis riskant is. Je brengt een gesprek op gang zonder agenda, je belegt in feite een brainstorm, die alle kanten op kan gaan. Dat gebeurde dan ook, zonder concreet discussiepunt kregen de commentaren een breed, beschouwend karakter. En hoe breder je dit onderwerp bekijkt, hoe onontkoombaarder de conclusie dat daar op het Malieveld vooral veel krokodillentranen geplengd werden. En dat het roer in de landbouw toch echt om zal moeten. Rechtsom of linksom, vroeger of later, goedschiks of kwaadschiks. Tel uit je winst.

 

 

 

 

 

 

 

Wilders ís helemaal geen politicus

Geplaatst op september 11, 2019 | Gearchiveerd The Semidaily Kuitenbrouwser | Reageer

(VERSCHEEN OORSPRONKELIJK IN NRC HANDELSBLAD MAART 2014)

Het is geen ongewoon tafereel dat een lid van de Amerikaanse senaat met zijn rollator door de vergaderzaal schuifelt. Iedereen wacht geduldig tot de suppoosten hem achter spreekgestoelte getild hebben, hij zijn zakken aftast naar het papier van zijn speech, zijn leesbril trillend op de neus plaatst, een slokje water neemt, nog even naar zijn tekst tuurt en dan eindelijk het woord neemt. De 25 langst dienende Amerikaanse senatoren: de lijst gaat van 51 naar 35 dienstjaren en de kampioen, de democraat Robert C. Byrd, zwaaide nog maar onlangs af. Het Nederlandse record – 44 jaar –  werd gevestigd in 1946. Het gemiddelde in de huidige Tweede Kamer is een kleine vier jaar, recordhouders zijn Mariëtte Hamer, Harry van Bommel en Kees van der Staay, met bijna 16 jaar.

Waar zou dat verschil vandaan komen? Amerika heeft een districtstelsel: een volksvertegenwoordiger heeft een achterban. Kiezers die hem (m/v) naar de hoofdstad gestuurd hebben om hun belangen veilig te stellen. Als hij daar eenmaal zit hoeft hij geen extreme dingen meer te roepen en de talkshows af te lopen, hij moet regelen wat hij beloofde te gaan regelen. Doet hij dat niet, dan sturen ze de volgende keer zijn concurrent, met min of meer dezelfde missie. Logrolling, porkbarrels, bringing home the bacon, niet voor niets gaat het in de Amerikaanse politiek zo vaak over gevulde magen en een winddicht huis.

Ooit werd die districtsfunctie in Nederland vervuld door een uitgekiend stelsel van politieke machtsverdeling, ook wel de ‘zuilen’, maar sindsdien worden de ‘middelpuntvliedende krachten van de levensbeschouwelijkheid’ (Lijphart) niet meer beteugeld, losten de zuilen goeddeels op in het niets en hebben Kamerleden geen achterban meer, ook geen indirecte. Ze nemen hem niet mee als ze aantreden en ze blijven te kort aan als volksvertegenwoordiger om er een op te bouwen. Waar zij op beoordeeld worden is hun succes in de media, zij moeten voortdurend vechten om aandacht en dat zijn dus de vaardigheden waarop zij geselecteerd worden. Wat zij hebben is stagecraft. De X-factor. Zij worden ‘gecast’ voor een rol op het Haagse toneel, om het ‘geluid’ en het ‘plaatje’ dat zij kunnen bijdragen aan het ensemble. De Tweede Kamer als talentenjacht.

Maar entertainment is iets anders dan politiek. Het belangrijkste verschil is dat een artiest geeft en een politicus belooft. Artiesten wekken verwachtingen, maar hebben nooit een schuld. Politici willen eerst iets hebben – aandacht, stemmen, macht – en daar beloven zij ons iets voor terug. Een artiest die niet geeft nemen wij niets kwalijk, die vergeten we gewoon. Een politicus die niet geeft, vergeten we niet. Die krijgt pek en veren. Kunst en politiek zijn lastig te combineren, zie bijvoorbeeld Bono, die een goede popartiest was tot hij aan politiek ging doen en geen goede politicus werd omdat hij een popartiest is. De gever belooft en de belover geeft.

‘De kiezer waardeert nóg niet wat wij voor hem doen’ – wij hebben het Hans Spekman en Diederik Samsom de afgelopen maanden honderd keer horen zeggen. Het probleem in een notendop! Iets anders kúnnen ze niet zeggen. Zij hebben een schuld en een schuldenaar vraagt om respijt. Geduld. In deze tijd – ha!

Of neem de lotgevallen van Pieter Hilhorst. Wethouder Asscher krijgt de kans om door te schuiven naar een groter podium, zijn plaats komt vrij, maar geen nood, hij heeft al een nieuw talent op het oog. In overleg met Diederik Samsom cast hij hem als understudy en lanceert hem als opvolger: Pieter Hilhorst. A star is born. Pieter heeft geen district, geen achterban, geen ervaring en geen machtspositie. Het enige dat Pieter heeft is ambitie, talent, een leuk ‘naturel’, en enige bekendheid van televisie. Stagecraft. Oké, zegt het publiek, ga maar zingen. Maar Pieter heeft z’n jaar niet, Pieter kan de druk niet aan, Pieter had een nummer moeten kiezen dat beter bij zijn stem past, dus er komt niets van zijn optreden terecht. Geen van de rode stoelen komt in beweging. De politieke recensenten zijn vernietigend. Een flop! De producenten Asscher & Samsom halen hun schouders op. ‘Tja, wij zagen wel wat in hem, maar…. het komt er niet helemaal uít! Jammer.’ Het podium begint te draaien, er klinkt een valse scheepstoeter of het gehinnik van een paard, en de afgang is een feit. Next!

Het eerste dat tv-makers ‘s ochtends doen is hun kijkcijfers van de vorige avond opzoeken. Wat was het marktaandeel? En, ander belangrijk criterium: waar gaat het gesprek bij de koffiemachine over? Voor de politiek geldt hetzelfde. Want waar de mensen over praten, het ‘gesprek van de dag’, daar willen de media het over hebben. En de politiek dus ook.

Direct na Geert Wilders’ optreden op de Haagse verkiezingsavond – ‘Minder, minder!’ – barstte de discussie los: vertolkte hij daarmee nu wel of niet een reëel bestaand gevoelen onder de bevolking? Maar dat is de vraag helemaal niet. Er is geen land op aarde waar een willekeurige politicus niet op een willekeurig moment jegens een willekeurige minderheid een beangstigende hoeveelheid haat kan oproepen. Een Hutu warlord kan het met Tutsi’s doen, een Panamese gouverneur met kruideniers, een Tsjechische burgemeester met langharigen en een Noorse landdrost met Zen-boedhisten – het doet er niet toe, zolang er maar een mediasysteem is dat hen spreektijd geeft. Geef mij een microfoon en een minderheid en ik geef u een bloedbad. Dat is geen politiek, dat is biologie.

Nog steeds denken veel intellectuelen dat het populisme de stem van een genegeerde, misdeelde klasse is, de ‘slachtoffers van de globalisering’ of iets dergelijks, maar ik geloof daar niets van. Het populisme is een communicatiestrategie, een ‘spreekregime’ zoals de Vlaamse taalkundige Jan Blommaert het noemt. Een middel tot de macht. Waarom werd het niets met de eerste voorlopers van Wilders, Glimmerveen, Janmaat? Geen spreektijd. Waarom krijgt Wilders die wel? Omdat Wilders van alle moderne politici het best is aangepast aan de nieuwe, neoliberale mediacultuur, waarin alles draait om marktaandeel en rendement. Om show! De wetten van het entertainment. De politiek is verhuisd van het forum naar de arena – in Rome is het maar een paar honderd meter. Wie deze cultuur miskent sneuvelt, wie hem begrijpt maakt furore.

Sinds Wilders in 2005 de PVV begon zijn alle Nederlandse partijen van leider gewisseld. Wilders heeft een relatief lange levensduur want hij schaakt op het juiste bord. Hij geeft het systeem wat het ’t liefste eet.  Veel andere politici begrijpen het half: stagecraft, je moet aan je stagecraft werken! Mediatraining, snappy tekstschrijvers, stijladviseurs. Maar zij miskennen de wezenlijke grens die ze daarmee passeren: zij worden een entertainer. En een entertainer moet niet beloven, maar géven. Maar zij geven niets, of te weinig. En dan gaat de slijtage snel.

Maar Geert Wilders belooft toch ook alleen maar? Ja en nee. Politici houden van het woord ‘droom’. Maar altijd haasten zij zich eraan toe te voegen dat zij die ‘droom’ ook echt gaan realiseren. Waarmee zij het woord de facto devalueren tot een eufemisme voor ‘ambitie’. Is de essentie van een droom niet dat hij geen werkelijkheid kán worden? Daarom zijn de ‘dromen’ van politici ook vaak zo saai en obligaat: het zíjn helemaal geen dromen, want ze moeten sporen met een beleidsagenda. Ze worden doorgerekend op haalbaarheid door het CPB.

Wilders deed even half mee aan een kabinet, maar was dat een belofte? Verwachtten zijn kiezers werkelijk dat hij, behalve met verve de kritische gedoogpartner spelen, iets zou gaan doen? Wat zou dat dan zijn? Het vergezicht dat Wilders ons voorspiegelt, is dat ook maar enigszins realiseerbaar? Nee, Wilders’ droom is een échte droom: fantastisch en irreëel. Een sprookje zonder logica en consistentie, uit een wereld zonder zwaartekracht en tegenwind. Een fictie – het werk van een kunstenaar.

Wilders is een artiest, en dit was zijn nieuwste werk. Perfect getimed, perfect gelanceerd, en een enorme hit.

‘Willen wij meer of minder Marokkanen?’ riep hij.

‘Minder, minder!’ scandeerde zijn publiek. De natie ontplofte.

Zelf was ik het meest geschokt door het zinnetje dat daarna kwam: ‘Dan gaan wij dat regelen.’

Oeps. ‘Regelen’? De PVV regelt minder Marokkanen? Ik denk dat Wilders even last had van een oude Haagse reflex, van toen hij nog in de VVD-fractie zat. Toen hij nog politicus was. Minder Marokkanen, hoe zou Wilders dat willen ‘regelen’? Gaan ze de beroemde Chinese kunstenaar Liou Bolin inschakelen, die mensen zo beschildert dat je ze niet meer ziet, omdat ze wegvallen tegen hun achtergrond? Of moeten Marokkaanse Nederlanders binnenkort zo’n geel nummer aan hun oor, en dan de even en oneven nummers om beurten de straat op, zoals de auto’s in Parijs als er te veel smog is?

Pas op, Geert, onthóud dat nou: je bént geen politicus! Je bent een performer, een mediaster, een artiest. Niets beloven, alleen maar geven.

Geven, geven, geven. Dát is je geheim.

Kun je heel oud mee worden. Kijk naar Sinterklaas.

Werknemer geeft, werkgever neemt.

Geplaatst op juli 28, 2019 | Gearchiveerd The Semidaily Kuitenbrouwser | Reageer

De timmerman die deel uitmaakte van de ploeg die ons huis verbouwde heette Dirk. Dirk was een voorbeeld van wat wij vroeger thuis een ‘lucide OH’ noemden, een ouwehoer dus, maar wel een goeie.

‘Zeg Jan,’ zei Dirk dan bijvoorbeeld, terwijl hij een pasta stond te mengen om een gaatje mee te vullen, ‘jij bent toch van de taal? Leg mij dan eens uit hoe dit zit: ik geefmijn werk aan mijn baas, maar ik ben een werknemer, hij neemtmij werk, maar hij is een werkgever.’

Daar sta je dan, met je witkwast.

Of deze: ‘Een kast is kleiner dan een huis, maar een groot huis noem je ”een kast van een huis.” Dat zou dus juist een klein huis moeten zijn.’

‘Eh….’

‘Een bezemkast van een huis!’

Dan lachten we en ging Dirk zijn gaatje vullen, of wat hij precies aan het doen was. Dirkismen noem ik zulke paradoxjes sindsdien.

Van dat soort taalconstructies die niet gehoorzamen aan de grammatica zijn er zoveel, beweren taalkundigen nu, dat je je kunt afvragen of grammatica wel bestáát. De Amerikaanse linguiste Adele Goldberg is zo iemand. Dat hele Chomskiaanse idee van de taal als een soort firmware, een universele set regels waarmee we geboren worden en die we nog slechts hoeven te stofferen met het plaatselijke vocabulaire, is misschien wel onzin, stelt zij. Het kost bijvoorbeeld nauwelijks moeite om peuters zinsconstructies bij te brengen die volledig strijdig zijn met de grammatica, iets waar Chomsky’s oermodule zich toch enigszins tegen zou moeten verzetten. In een artikel in NRC Handelsblad over deze nieuwe  ‘constructionele’ taalkunde (het gaat om constructies, niet om regels) komt Dirks voorbeeld van de ‘kast van een huis’ ook weer ter sprake. ‘Een wolk van een baby’, ‘een boom van een vent’. In feite staat daar ‘een vriendin van een collega’ of ‘een boek van een kennis’ en toch weten we dat het hier niet gaat om een baby die in het bezit van een wolk is. Of neem de uitdrukking: ‘Hoe komt de zee zo zout?’ Zo zout komen, dat zou niet moeten mogen volgens Chomsky.

‘Wat doen jouw voeten daar op die bank?’

Alleen een astrante dertienjarige neemt die vraag letterlijk, het is duidelijk dat er iets anders bedoeld wordt.

Laatst had ik er weer een. Of beter mijn dochter J, die naast me in de auto zat te lezen.

‘Pap?’

‘Ja?’

‘Met ontbloot bovenlijf, dat is toch dat je van boven bloot bent?’

‘Ja.’

‘Vreemd. Ont-bloten, dat zou toch juist iets áántrekken moeten zijn?’

‘Eh…’

‘Als je iets ontmaskert haal je het masker weg, maar als je iets ontbloot, haal je niet het bloot weg, je máákt juist iets bloot.’

Geef toe, daar valt niet veel tegenin te brengen.

Ik moest aan Dirk denken. Die had er ook zo eentje. O ja.

‘Jan,’ zei hij, ‘als ik kosten maak, geef ik iets uit, maar als ik ónkosten maak, geef ik óók iets uit. Da’s toch vreemd?’

Ik denk dat Dirk de timmerman een intuïtief constructioneel taalkundige is.

 

 

 

 

 

volgende pagina »