Groen Privilege

Geplaatst op oktober 5, 2019 | Gearchiveerd The Semidaily Kuitenbrouwser | 3 Reacties

YouTube Preview Image

In 2016 besloot het kabinet dat Nederlandse huishoudens zo snel mogelijk ‘gasloos’ moeten worden. De winning in Groningen wordt verminderd of zelfs beëindigd,  er worden geen nieuwe huizen meer gebouwd met een gasaansluiting en de bestaande huizen met gas moeten op termijn overschakelen op een alternatief. Aan dat besluit was nauwelijks een maatschappelijk debat voorafgegaan, ineens was het er. Aldus besloten, wen er maar aan. Voor installateurs is het een ingrijpende maatregel, een belangrijk deel van hun werk valt weg. Toch hebben we geen landelijke optocht van witte busjes naar Den Haag gezien, geen boze gasfitters op het Malieveld.  Tja, denken de installateurs, de technologie staat niet stil, tijden veranderen, wij verzinnen wel weer iets anders. We zijn tenslotte ondernemers.

In 1996 werd de auto-katalysator verplicht. Herinnert u zich de boze betogingen van de autobranche? Of in 2008 de protestmarsen van het Schipholpersoneel, toen de vliegtaks werd ingevoerd?

Nee, dan de boer.

Afgelopen maandag stond in Nederland de langste file aller tijden, dankzij het grootste trekkerkonvooi ooit op de been gebracht, voor ‘de grootste boerendemonstratie in de Nederlandse geschiedenis’. Aanleiding: een proefballonnetje van een D66-Kamerlid van wie tot vorige week nog nooit iemand gehoord had. Die zei dat de manier waarop in Nederland vee gehouden wordt niet houdbaar is, en je die problemen het hoofd kunt bieden door de veestapel ongeveer te halveren. Geen concrete maatregel, geen plan, geen beleidsvoornemen, een gedachte, die in de landbouwpolitiek al een jaar of dertig in verschillende gedaanten circuleert en omarmd is door deskundigen met aanzienlijk meer aanzien in de agrarische wereld dan Tjeerd de Groot. Agro-paus Herman Wijffels bijvoorbeeld.

Intussen heeft de boer overigens weinig te vrezen. Dat er ondanks wijze adviesraden, gewichtige commissies en vrome voornemens bitter weinig verandert in de landbouw is omdat geen bedrijfstak zo sterk vertegenwoordigd is in de wandelgangen van de macht als de agrosector. Het Groene Front, een hecht netwerk van politiek-economische relaties, stevig verankerd in het politieke midden, is nagenoeg onneembaar, al honderd jaar. Waar zijn de boeren eigenlijk bang voor? Dat taaie vlechtwerk van pluche, krijtstreep en schuttersveld heeft ze tot nu toe nog nooit in de steek heeft gelaten. Die goede oude kleefstrip aan het plafond, waar elke horzel die de sector benadert onverbiddelijk aan vastgeplakt komt te zitten, om na enig verontwaardigd gezoem de geest te geven?

Maar dit protest ging niet om beleid. De boeren zijn boos. Vanwege ‘een gebrek aan waardering’, zoals de actieleider zei. De ‘negatieve beeldvorming’ van de boer als milieudelinquent. En die stalbranden, altijd weer die stalbranden, mopperde een demonstrant op het Malieveld. Hou daar eens over op!

Een berg subsidie, een hotline met de macht én schouderklopjes, voor minder doet de Nederlandse boer het niet. Alsof wij de schoonmakers, de vakkenvullers, de orderpickers, de stadswachten, de koffersjouwers, de vuilnismannen, de bordenwassers en de beveiligers zonder wie de samenleving net zo goed tot stilstand zou komen – alsof wij die wél op handen dragen. Dus vanwaar eigenlijk deze aanspraak op respect en waardering?

Die bijzondere status van de boer zou je ‘groen privilege’ kunnen noemen. In ‘witte’ culturen is de ongelijke verdeling van privileges voor zwarte mensen volkomen duidelijk, zij ervaren ze elke dag aan den lijve. De voorrechten voor witte mensen – white privilege – zijn cultureel zo diep verankerd, dat witte mensen zich er vaak nauwelijks van bewust zijn. Zij zijn onbewust onderdeel van een misstand. Als zwarte mensen hen daarop attenderen, reageren witte mensen vaak onbegrijpend, geïrriteerd, beledigd. Zij genieten privileges zonder dat zij het voelen. Datzelfde zie je nu bij de boeren: zij worden aangesproken op hun groene privilege, en reageren gekrenkt, want zij voelen zich niet geprivilegieerd. Wat vaak beweerd wordt van sociale uitkeringen, dat ze mensen onzelfstandig, initiatiefloos en afhankelijk maken, lijkt op de Nederlandse boer ook van toepassing: hij is vergeten dat hij een ondernemer is, maar wil ook niet onder ogen zien dat hij een client van de schatkist is geworden, die weinig te willen heeft. Dat de samenleving hem steunt, structureel, is vanzelfsprekend geworden.

In de jaren vijftig en zestig kon je als boer niet industrieel genoeg voor de dag komen, met geautomatiseerde melkinrichtingen voor ultraproductieve uberkoeien en geavanceerde landbouwmachines op enorme ruilverkavelde akkers vol Wageningse supergewassen. De boer als bedrijfsleider in een grijze stofjas. In de jaren zeventig en tachtig kwam het milieubewustzijn, en de boer en de voedselindustrie pasten zijn imago aan: hij werd een lieve, zorgzame, hardwerkende natuurliefhebber die voor dag en dauw opstaat opdat wij verse melk op de cornflakes hebben. Die eigenhandig de Hak-erwtjes oogst onder toezien van die lieve, degelijke Martine Bijl. Die de kinderen optrommelt als er een kalf geboren wordt en het jong echt niet zo’n gemeen plastic label aan het oor zou nagelen als het niet moest van de EU. De STER-boer en zijn Libelle-boerderij, de warmgepenseelde facade waarachter de agroindustrie ongestoord zijn gang kon gaan, zodat de consument zonder gewetensbezwaren onbestaanbaar goedkoop voedsel kon kopen.

En als er ondanks die idylle een partnertekort ontstaat op het platteland, springt ook de nationale omroep bij met een paringsprogramma waarin zorgvuldig gecaste kandidaten in gesponsorde kabeltruien gesponsorde krentenmik eten van gesponsord boerenbontservies. Waar geen plofkip in voorkomt en nooit een koe geschopt wordt.

Die kunstmatig gebalanceerde boeken, dat imago van de aaibare dierenvriend aan wie wij dank en waardering verschuldigd zijn, je kunt de boeren nauwelijks kwalijk nemen dat zij indie fictie zijn gaan geloven en boos worden als hij wordt doorgeprikt. Zij worden gesubsidieerd, zij zijn deugdzaam, zij hebben recht op applaus en waardering, maar in plaats daarvan worden zij aangesproken op hun medeplichtigheid aan een kwalijk systeem. Gevolg: een narcistische krenking.

Vandaar die gekwetste, emotionele reacties op Tjeerd de Groot’s uitspraak. Niet ‘een slecht plan’, niet ‘een onjuiste analyse’, nee, een ‘ongelooflijke schoffering! (CDA Kamerlid Geurts). ‘Niet chic,’ zei landbouwminister Schouten, ‘als je als boer of boerin elke ochtend hard aan het werk bent en dan in de krant leest dat je wel grotendeels kunt verdwijnen.  Vervang ‘boer’ en ‘boerin’ in dat citaat door ‘gasfitter’ en ‘gasfitster’ en zoek de verschillen. Groen privilege.

Bevoorrechte beroepsgroepen die moeten inleveren zullen zich altijd verweren met het argument dat niet zíj, maar wí­j daar de dupe van worden. ‘Tactisch altruisme’ noemde de socioloog Han Leune dit ooit. De leraren in de jaren zeventig, toen zij moesten inleveren: dit gaat ten koste van uw kinderen. De medisch specialisten in de jaren tachtig, toen hun tarieven omlaag moesten: u wilt toch goed behandeld worden? De boeren doen dit ook. De notie waaraan zij vroeger hun trots ontleenden – wij voeden de natie – wordt ingezet voor emotionele chantage: maak ons niet boos, anders gaan jullie met een knorrende maag naar bed. Terwijl ruim driekwart van onze agroproductie voor de export is, onder andere naar landen waar geen boeren zijn en ze hun voedsel gewoon importeren. Zelf doen wij dat ook. Maar ongeveer een-derde van ons dagelijks voedsel wordt in Nederland geproduceerd.

Zelf denken de boeren ongetwijfeld dat hun actie van afgelopen dinsdag een groot succes was, en op het eerste gezicht lijkt daar ook weinig op af te dingen: een grotere opkomst dan verwacht, een media roadblock, zoals PR-mensen het noemen – je kon geen medium raadplegen of het ging over de boeren – de volledige Nederlandse politiek verdrong zich op het Malieveld rond de microfoon, de hashtag #trotsopdeboer was trending, kortom, alle hokjes voor een succesvolle sociale actie konden worden aangevinkt.

De boeren hebben hun narcistische krenking met aplomb afgereageerd, maar of ze er verder iets mee zijn opgeschoten is zeer de vraag. Dat je duizend trekkers op een rij kunt krijgen is op zich een aardige prestatie, en wellicht balsem op een gekwetste ziel, maar veel meer ook niet. De belofte van Carola Schouten dat zij de veestapel niet zal halveren, was totaal gratuit. In de gepubliceerde tekst van haar toespraak werd diezelfde middag al het woord ‘gedwongen’ toegevoegd, en voor zo’n reductie, vrijwillig óf gedwongen, is haar ambtstermijn sowieso veel te kort, dus zij paaide de menigte vooral met haar onmacht. Vreest niet, ik ben een papieren tijger.

Het optreden van oud-staatsecretaris van Landbouw Henk Bleker werd direct doorgeprikt als een genant staaltje populistische schijnheiligheid, aangezien het precies deze politieke eendagsvlieg was die, toen hij dan even aan de knoppen zat, ze trefzeker de verkeerde kant op draaide. Bleeker deed alsof hij daar stond als stoere boer, maar hij stond er als mislukte bestuurder. Dat hij niet uitgejouwd werd, illustreert het gebrekkige politieke bewustzijn van de Nederlandse boer.

Een dag na het protest werd bekend dat de mars stevig gesponsord werd door verschillende grote agro-concerns, een van hen sprak later van een bedrag van ‘minimaal vijf cijfers’. (Zes? Dan heb je het over tonnen). Een deel van die trekkers was dus voor een onzichtbaar karretje gespannen. In dit tijdperk van argwaan en wantrouwen, waar iedereen voortdurend op zoek is naar verborgen agenda’s en geheime belangen, kost dat bonuspunten.

Een gelouterde actieleider had de boeren nog kunnen uitleggen dat demonstreren zonder een concrete eis riskant is. Je brengt een gesprek op gang zonder agenda, je belegt in feite een brainstorm, die alle kanten op kan gaan. Dat gebeurde dan ook, zonder concreet discussiepunt kregen de commentaren een breed, beschouwend karakter. En hoe breder je dit onderwerp bekijkt, hoe onontkoombaarder de conclusie dat daar op het Malieveld vooral veel krokodillentranen geplengd werden. En dat het roer in de landbouw toch echt om zal moeten. Rechtsom of linksom, vroeger of later, goedschiks of kwaadschiks. Tel uit je winst.

 

 

 

 

 

 

 

Wilders ís helemaal geen politicus

Geplaatst op september 11, 2019 | Gearchiveerd The Semidaily Kuitenbrouwser | Reageer

(VERSCHEEN OORSPRONKELIJK IN NRC HANDELSBLAD MAART 2014)

Het is geen ongewoon tafereel dat een lid van de Amerikaanse senaat met zijn rollator door de vergaderzaal schuifelt. Iedereen wacht geduldig tot de suppoosten hem achter spreekgestoelte getild hebben, hij zijn zakken aftast naar het papier van zijn speech, zijn leesbril trillend op de neus plaatst, een slokje water neemt, nog even naar zijn tekst tuurt en dan eindelijk het woord neemt. De 25 langst dienende Amerikaanse senatoren: de lijst gaat van 51 naar 35 dienstjaren en de kampioen, de democraat Robert C. Byrd, zwaaide nog maar onlangs af. Het Nederlandse record – 44 jaar –  werd gevestigd in 1946. Het gemiddelde in de huidige Tweede Kamer is een kleine vier jaar, recordhouders zijn Mariëtte Hamer, Harry van Bommel en Kees van der Staay, met bijna 16 jaar.

Waar zou dat verschil vandaan komen? Amerika heeft een districtstelsel: een volksvertegenwoordiger heeft een achterban. Kiezers die hem (m/v) naar de hoofdstad gestuurd hebben om hun belangen veilig te stellen. Als hij daar eenmaal zit hoeft hij geen extreme dingen meer te roepen en de talkshows af te lopen, hij moet regelen wat hij beloofde te gaan regelen. Doet hij dat niet, dan sturen ze de volgende keer zijn concurrent, met min of meer dezelfde missie. Logrolling, porkbarrels, bringing home the bacon, niet voor niets gaat het in de Amerikaanse politiek zo vaak over gevulde magen en een winddicht huis.

Ooit werd die districtsfunctie in Nederland vervuld door een uitgekiend stelsel van politieke machtsverdeling, ook wel de ‘zuilen’, maar sindsdien worden de ‘middelpuntvliedende krachten van de levensbeschouwelijkheid’ (Lijphart) niet meer beteugeld, losten de zuilen goeddeels op in het niets en hebben Kamerleden geen achterban meer, ook geen indirecte. Ze nemen hem niet mee als ze aantreden en ze blijven te kort aan als volksvertegenwoordiger om er een op te bouwen. Waar zij op beoordeeld worden is hun succes in de media, zij moeten voortdurend vechten om aandacht en dat zijn dus de vaardigheden waarop zij geselecteerd worden. Wat zij hebben is stagecraft. De X-factor. Zij worden ‘gecast’ voor een rol op het Haagse toneel, om het ‘geluid’ en het ‘plaatje’ dat zij kunnen bijdragen aan het ensemble. De Tweede Kamer als talentenjacht.

Maar entertainment is iets anders dan politiek. Het belangrijkste verschil is dat een artiest geeft en een politicus belooft. Artiesten wekken verwachtingen, maar hebben nooit een schuld. Politici willen eerst iets hebben – aandacht, stemmen, macht – en daar beloven zij ons iets voor terug. Een artiest die niet geeft nemen wij niets kwalijk, die vergeten we gewoon. Een politicus die niet geeft, vergeten we niet. Die krijgt pek en veren. Kunst en politiek zijn lastig te combineren, zie bijvoorbeeld Bono, die een goede popartiest was tot hij aan politiek ging doen en geen goede politicus werd omdat hij een popartiest is. De gever belooft en de belover geeft.

‘De kiezer waardeert nóg niet wat wij voor hem doen’ – wij hebben het Hans Spekman en Diederik Samsom de afgelopen maanden honderd keer horen zeggen. Het probleem in een notendop! Iets anders kúnnen ze niet zeggen. Zij hebben een schuld en een schuldenaar vraagt om respijt. Geduld. In deze tijd – ha!

Of neem de lotgevallen van Pieter Hilhorst. Wethouder Asscher krijgt de kans om door te schuiven naar een groter podium, zijn plaats komt vrij, maar geen nood, hij heeft al een nieuw talent op het oog. In overleg met Diederik Samsom cast hij hem als understudy en lanceert hem als opvolger: Pieter Hilhorst. A star is born. Pieter heeft geen district, geen achterban, geen ervaring en geen machtspositie. Het enige dat Pieter heeft is ambitie, talent, een leuk ‘naturel’, en enige bekendheid van televisie. Stagecraft. Oké, zegt het publiek, ga maar zingen. Maar Pieter heeft z’n jaar niet, Pieter kan de druk niet aan, Pieter had een nummer moeten kiezen dat beter bij zijn stem past, dus er komt niets van zijn optreden terecht. Geen van de rode stoelen komt in beweging. De politieke recensenten zijn vernietigend. Een flop! De producenten Asscher & Samsom halen hun schouders op. ‘Tja, wij zagen wel wat in hem, maar…. het komt er niet helemaal uít! Jammer.’ Het podium begint te draaien, er klinkt een valse scheepstoeter of het gehinnik van een paard, en de afgang is een feit. Next!

Het eerste dat tv-makers ‘s ochtends doen is hun kijkcijfers van de vorige avond opzoeken. Wat was het marktaandeel? En, ander belangrijk criterium: waar gaat het gesprek bij de koffiemachine over? Voor de politiek geldt hetzelfde. Want waar de mensen over praten, het ‘gesprek van de dag’, daar willen de media het over hebben. En de politiek dus ook.

Direct na Geert Wilders’ optreden op de Haagse verkiezingsavond – ‘Minder, minder!’ – barstte de discussie los: vertolkte hij daarmee nu wel of niet een reëel bestaand gevoelen onder de bevolking? Maar dat is de vraag helemaal niet. Er is geen land op aarde waar een willekeurige politicus niet op een willekeurig moment jegens een willekeurige minderheid een beangstigende hoeveelheid haat kan oproepen. Een Hutu warlord kan het met Tutsi’s doen, een Panamese gouverneur met kruideniers, een Tsjechische burgemeester met langharigen en een Noorse landdrost met Zen-boedhisten – het doet er niet toe, zolang er maar een mediasysteem is dat hen spreektijd geeft. Geef mij een microfoon en een minderheid en ik geef u een bloedbad. Dat is geen politiek, dat is biologie.

Nog steeds denken veel intellectuelen dat het populisme de stem van een genegeerde, misdeelde klasse is, de ‘slachtoffers van de globalisering’ of iets dergelijks, maar ik geloof daar niets van. Het populisme is een communicatiestrategie, een ‘spreekregime’ zoals de Vlaamse taalkundige Jan Blommaert het noemt. Een middel tot de macht. Waarom werd het niets met de eerste voorlopers van Wilders, Glimmerveen, Janmaat? Geen spreektijd. Waarom krijgt Wilders die wel? Omdat Wilders van alle moderne politici het best is aangepast aan de nieuwe, neoliberale mediacultuur, waarin alles draait om marktaandeel en rendement. Om show! De wetten van het entertainment. De politiek is verhuisd van het forum naar de arena – in Rome is het maar een paar honderd meter. Wie deze cultuur miskent sneuvelt, wie hem begrijpt maakt furore.

Sinds Wilders in 2005 de PVV begon zijn alle Nederlandse partijen van leider gewisseld. Wilders heeft een relatief lange levensduur want hij schaakt op het juiste bord. Hij geeft het systeem wat het ’t liefste eet.  Veel andere politici begrijpen het half: stagecraft, je moet aan je stagecraft werken! Mediatraining, snappy tekstschrijvers, stijladviseurs. Maar zij miskennen de wezenlijke grens die ze daarmee passeren: zij worden een entertainer. En een entertainer moet niet beloven, maar géven. Maar zij geven niets, of te weinig. En dan gaat de slijtage snel.

Maar Geert Wilders belooft toch ook alleen maar? Ja en nee. Politici houden van het woord ‘droom’. Maar altijd haasten zij zich eraan toe te voegen dat zij die ‘droom’ ook echt gaan realiseren. Waarmee zij het woord de facto devalueren tot een eufemisme voor ‘ambitie’. Is de essentie van een droom niet dat hij geen werkelijkheid kán worden? Daarom zijn de ‘dromen’ van politici ook vaak zo saai en obligaat: het zíjn helemaal geen dromen, want ze moeten sporen met een beleidsagenda. Ze worden doorgerekend op haalbaarheid door het CPB.

Wilders deed even half mee aan een kabinet, maar was dat een belofte? Verwachtten zijn kiezers werkelijk dat hij, behalve met verve de kritische gedoogpartner spelen, iets zou gaan doen? Wat zou dat dan zijn? Het vergezicht dat Wilders ons voorspiegelt, is dat ook maar enigszins realiseerbaar? Nee, Wilders’ droom is een échte droom: fantastisch en irreëel. Een sprookje zonder logica en consistentie, uit een wereld zonder zwaartekracht en tegenwind. Een fictie – het werk van een kunstenaar.

Wilders is een artiest, en dit was zijn nieuwste werk. Perfect getimed, perfect gelanceerd, en een enorme hit.

‘Willen wij meer of minder Marokkanen?’ riep hij.

‘Minder, minder!’ scandeerde zijn publiek. De natie ontplofte.

Zelf was ik het meest geschokt door het zinnetje dat daarna kwam: ‘Dan gaan wij dat regelen.’

Oeps. ‘Regelen’? De PVV regelt minder Marokkanen? Ik denk dat Wilders even last had van een oude Haagse reflex, van toen hij nog in de VVD-fractie zat. Toen hij nog politicus was. Minder Marokkanen, hoe zou Wilders dat willen ‘regelen’? Gaan ze de beroemde Chinese kunstenaar Liou Bolin inschakelen, die mensen zo beschildert dat je ze niet meer ziet, omdat ze wegvallen tegen hun achtergrond? Of moeten Marokkaanse Nederlanders binnenkort zo’n geel nummer aan hun oor, en dan de even en oneven nummers om beurten de straat op, zoals de auto’s in Parijs als er te veel smog is?

Pas op, Geert, onthóud dat nou: je bént geen politicus! Je bent een performer, een mediaster, een artiest. Niets beloven, alleen maar geven.

Geven, geven, geven. Dát is je geheim.

Kun je heel oud mee worden. Kijk naar Sinterklaas.

Werknemer geeft, werkgever neemt.

Geplaatst op juli 28, 2019 | Gearchiveerd The Semidaily Kuitenbrouwser | Reageer

De timmerman die deel uitmaakte van de ploeg die ons huis verbouwde heette Dirk. Dirk was een voorbeeld van wat wij vroeger thuis een ‘lucide OH’ noemden, een ouwehoer dus, maar wel een goeie.

‘Zeg Jan,’ zei Dirk dan bijvoorbeeld, terwijl hij een pasta stond te mengen om een gaatje mee te vullen, ‘jij bent toch van de taal? Leg mij dan eens uit hoe dit zit: ik geefmijn werk aan mijn baas, maar ik ben een werknemer, hij neemtmij werk, maar hij is een werkgever.’

Daar sta je dan, met je witkwast.

Of deze: ‘Een kast is kleiner dan een huis, maar een groot huis noem je ”een kast van een huis.” Dat zou dus juist een klein huis moeten zijn.’

‘Eh….’

‘Een bezemkast van een huis!’

Dan lachten we en ging Dirk zijn gaatje vullen, of wat hij precies aan het doen was. Dirkismen noem ik zulke paradoxjes sindsdien.

Van dat soort taalconstructies die niet gehoorzamen aan de grammatica zijn er zoveel, beweren taalkundigen nu, dat je je kunt afvragen of grammatica wel bestáát. De Amerikaanse linguiste Adele Goldberg is zo iemand. Dat hele Chomskiaanse idee van de taal als een soort firmware, een universele set regels waarmee we geboren worden en die we nog slechts hoeven te stofferen met het plaatselijke vocabulaire, is misschien wel onzin, stelt zij. Het kost bijvoorbeeld nauwelijks moeite om peuters zinsconstructies bij te brengen die volledig strijdig zijn met de grammatica, iets waar Chomsky’s oermodule zich toch enigszins tegen zou moeten verzetten. In een artikel in NRC Handelsblad over deze nieuwe  ‘constructionele’ taalkunde (het gaat om constructies, niet om regels) komt Dirks voorbeeld van de ‘kast van een huis’ ook weer ter sprake. ‘Een wolk van een baby’, ‘een boom van een vent’. In feite staat daar ‘een vriendin van een collega’ of ‘een boek van een kennis’ en toch weten we dat het hier niet gaat om een baby die in het bezit van een wolk is. Of neem de uitdrukking: ‘Hoe komt de zee zo zout?’ Zo zout komen, dat zou niet moeten mogen volgens Chomsky.

‘Wat doen jouw voeten daar op die bank?’

Alleen een astrante dertienjarige neemt die vraag letterlijk, het is duidelijk dat er iets anders bedoeld wordt.

Laatst had ik er weer een. Of beter mijn dochter J, die naast me in de auto zat te lezen.

‘Pap?’

‘Ja?’

‘Met ontbloot bovenlijf, dat is toch dat je van boven bloot bent?’

‘Ja.’

‘Vreemd. Ont-bloten, dat zou toch juist iets áántrekken moeten zijn?’

‘Eh…’

‘Als je iets ontmaskert haal je het masker weg, maar als je iets ontbloot, haal je niet het bloot weg, je máákt juist iets bloot.’

Geef toe, daar valt niet veel tegenin te brengen.

Ik moest aan Dirk denken. Die had er ook zo eentje. O ja.

‘Jan,’ zei hij, ‘als ik kosten maak, geef ik iets uit, maar als ik ónkosten maak, geef ik óók iets uit. Da’s toch vreemd?’

Ik denk dat Dirk de timmerman een intuïtief constructioneel taalkundige is.

 

 

 

 

 

15 miljoen mensen (not)

Geplaatst op december 4, 2018 | Gearchiveerd The Semidaily Kuitenbrouwser | Reageer

Het lijflied van de Nederlandse gele-hesjesbeweging, lees ik in de Volkskrant, is ’15 Miljoen Mensen’, een populair reclamelied van de Postbank uit 1996. Curieus dat juist dit lied nu als een ‘volkslied’ wordt gebruikt. Ik schreef er indertijd een column over in HP/DeTijd. Ik weet niet of ik het nog met alles eens ben, wat daar staat, maar met veel wel. En intussen hoor ik dat de Nederlandse gele hesjes dit lied kozen omdat zij Nederland anno 2018 zien als een land met 15 miljoen inwoners, dat wil zeggen ongeveer 3 miljoen minder dan het er op dit moment zijn – de indringers, de vreemdelingen. Anderen ontkennen dit weer – het is onduidelijk. Enfin die HP-column van toen:

Het wordt beschouwd als een van de grootste prestaties van een reclamebedenker: als zijn werkstuk niet alleen bestaansrecht heeft als reclame, maar ook als culturele bijdrage. Wanneer iemand die in de tram per ongeluk jouw paraplu pakt `Foutje, bedankt’ zegt, of wanneer veertigduizend mensen in Stadion Galgenwaard bij een concert van Prince spontaan `Olé, olé, Mora Kipsaté’ gaan zingen. Reclame die zichzelf vereeuwigt. Zoiets wilde de Postbank ook wel, en dus belden ze Fluitsma & Van Tijn, componisten van vele Nederlandse hits (‘Ademloos’ van Linda, Roos & Jessica bijvoorbeeld, een puike popsong, overigens)  en een van de beste copywriters van Nederland, Frank Pels, om een Postbank-lied te schrijven.
Het lukte. Het lied sloeg aan, binnen een paar weken lag het als single in alle platenwinkels en beklom het de hitlijsten.

Het heet `Vijftien Miljoen Mensen’.

De tekst:

Land van duizend meningen
Het land van nuchterheid
Met z’n allen op het strand
beschuit bij het ontbijt

Het land waar niemand zich laat gaan,
Behalve als we winnen
Dan breekt acuut de passie los,
Dan blijft geen mens meer binnen

Het land wars van betutteling
Geen uniform is heilig
Een zoon die noemt zijn vader Piet
Een fiets staat nergens veilig

Vijfien miljoen mensen
Op dat hele kleine stukje aarde
Die schrijf je niet de wetten voor
Die laat je in hun waarde
Vijftien miljoen mensen
Op dat hele kleine stukje aarde
Die moeten niet het keurslijf in
Die laat je in hun waarde

Het land vol groepen van protest
Geen chef die echt de baas is
De gordijnen altijd open zijn
De lunch een broodje kaas is

Het land vol van verdraagzaamheid
Alleen niet voor de buurman
De grote vraag die blijft altijd
Waar betaalt’ie nou zijn huur van?

Het land dat zorgt voor iedereen
Geen hond die van de goot weet
Met nassiballen in de muur
En niemand die droog brood eet!

Vijftien miljoen mensen,
etc.

Sommige reclamemakers hebben zo veel talent dat je je afvraagt waarom zij het gebruiken om kattenbrokjes of poedersoep te verkopen, maar dat in Frank Pels een naoorlogse Louis Davids verloren is gegaan, daar hoeven we geloof ik niet bang voor te zijn.
`Groepen van protest’ – zelfs voor een Sinterklaasgedicht is dat een wat magere oplossing. En onnodig, `actiecomité’s’ past precies.
En die mensen die `niet meer binnenblijven’ vanwege de `accuut losbrekende passie’ – ook geen lesmateriaal voor een poëziecursus.
“Dit is de radionieuwsdienst, verzorgd door het ANP. In Amsterdam is vanavond accuut de passie losgebroken. Er bleef geen mens meer binnen.”
Maar goed, waar het om gaat is de inhoud.
Een mix van moet-kunnen-sentiment, deugdzame zelfvertedering, well-to-do borrelpraat en voetbalpopulisme, overgoten met multiculturele Coca-Colastroop, ja, het is een duivelse cocktail die de Postbank ons hier voorzet.
Dat `keurslijf ‘bijvoorbeeld, wat zou de dichter daarmee bedoeld hebben? Nederland? Keurslijf? Waar dan? De enige situatie waarin ik wel eens het gevoel heb dat ik een keurslijf wordt gedrongen is, eh, nou, eigenlijk alleen als ik in de rij sta bij de Postbank. Eén stap over de rode streep en de Postbanklokettist tikt vermanend tegen het kogelvrije glas. Eén week te lang rood er er hangt iemand aan de telefoon die wil weten wat er aan de hands is, en je herinnert aan de regels. Keurslijf? De Postbank heeft het uitgevonden!
Nee, de Postbank is een menslievende, anarchistische organisatie waar ze tégen keurslijven zijn en en vóór zitten het gras, toegestaan of niet.
En dat er in Nederland ‘niemand droog brood eet’, hoe komt Pels daarbij? Omdat er nasiballen in de muur liggen? Zoals bekend denken kleuters vaak dat de ijscoman zijn ijsjes gewoon uitdeelt; ze weten nog niet precies wat kopen is. Het ene kind ontwaakt wat eerder uit die illusie dan het andere, maar bij Frank Pels is het misverstand wel érg lang blijven hangen! Hij denkt kennelijk dat je het voedsel achter die kleine glazen klepjes in de automatiek gewoon kunt pakken als je honger hebt. Ja, dan ben je natuurlijk wel gek als je droog brood eet.

En dat in dit land ‘niemand zich laat gaan’ behalve bij een voetbalwedstrijd, waar haalt de schrijver dat vandaan? Waar zouden al die stille tochten dan toch vandaan komen? Al die waxineprocessies en teddybeerofferandes, omdat er weer eens iemand doodgeschopt is zonder enige reden. Land van korte lontjes, zou ik zeggen, wat aardig rijmt op ‘wildschijtende hondjes’.

Deze tekst, schat ik, is het werk van een man die ergens buiten woont, in een vrijstaand huis, omheind door een stevig hek, voorzien van een duur alarmsysteem. Zijn auto staat warm en beveiligd in de garage, ook op kantoor, zodat hij maar zelden door de stad loopt, behalve tijdens zijn wekelijkse bezoek aan het winkelcentrum, met zijn vrouw. Dan ziet hij bij de Febo de gratis kroketten en nasiballen achter de ruitjes ziet liggen en denkt bij zichzelf: sjongejonge, wij hebben het toch maar goed. Hij glimlacht om de resten van een roze damesfiets, schilderachtig bungelend in een lantaarnpaal, en denkt: jasses, wat zou het toch jammer zijn als de fietsen in dit landje veilig op slot stonden. Hij ontwijkt nog net op tijd een hondendrol en grapt vertederd tegen zijn vrouw: `Zelfs de honden weten in dit prachtige land niet van de goot’. Hij geniet van het gevarieerde, informele straatbeeld, en denkt: snotverjume, wat zou het eeuwig zonde zijn dit alles in een keurslijf van wetten en regeltjes gepropt werd. Wat zou ons wekelijkse uurtje alledaags Nederland dán saai worden!

Dat is het Nederland dat hier bezongen wordt. Het Nederland waarin je altijd zwart staat, en elk moment de deur van je villa achter je kan dichtrekken. Dat je als bank soms gewoon glashard nee moet zeggen tegen die bijstandsmoeder die een ‘pee-elletje’ nodig heeft om de wasmachine te laten repareren, dat is het probleem niet, dat hoort er allemaal bij, dat weten wij echt wel, maar is het niet een beetje schijnheilig, wat zeg ik, schaamteloos, om te doen alsof zulke mensen überhaupt niet bestáán? Alsof in dit retegave land de nasiballen gewoon voor het grijpen liggen?
De schrijver van dit lied zou misschien eens een paar maanden op een GDH-woning in Oost gezet moeten worden, met een uitkering en een standaard Postbankrekeningetje. Het lied wat hij dán schrijft, dat wil ik wel horen.

YouTube Preview Image

 

 

ZOJUIST VERSCHENEN: ‘DATADICTATUUR’

Geplaatst op oktober 18, 2018 | Gearchiveerd The Semidaily Kuitenbrouwser | 1 Reactie

In ‘Datadictatuur’ onderzoek ik in hoeverre het internet zijn belofte heeft waargemaakt van ‘machtsvrije publieke ruimte’, een begrip gemunt door de Duitse filosoof Jurgen Habermas, als een wezenlijke voorwaarde voor een gezonde democratie. Als beginnend journalist met belangstelling voor technologie was ik begin jaren tachtig getuige van de uitvinding en opmars van het internet. In ‘Datadictatuur’ reconstrueer ik hoe het zich sindsdien ontwikkelde, van een funky tegencultuur van nerds en geeks tot het centrale zenuwstelsel van de wereld en het grootste economische machtsblok aller tijden. En tot een allesbehalve ‘machtsvrije’ publieke ruimte, die zich in hoge mate onttrekt aan de beschavingsnormen van de ‘normale’ wereld. Een systeem dat onze privacy niet respecteert, ons niet beschermt tegen verbale terreur en pesterij, heimelijk onze gedachten manipuleert en economische sectoren ontwricht. Hoe heeft het zover kunnen komen? En: wat kunnen wij eraan doen? Dat zijn de de vragen waarop ‘Datadictatuur’ het antwoord geeft.

‘Datadictatuur’ is het boek over het internet dat u wél uitleest. Waarna u nooit meer met dezelfde ogen naar dat beeldscherm kijkt.

Koop het in een brick-and-mortar boekenwinkel

https://www.scheltema.nl

https://www.athenaeum.nl

https://www.libris.nl/voorhoeve

https://www.libris.nl/broese/

Of anders hier:

https://nrcwebwinkel.nl/catalogsearch/result/?q=kuitenbrouwer

https://www.bol.com/nl/p/nieuw-licht-datadictatuur/9200000099879669/

Voor interviews: Uitgeverij Prometheus, Jan van Helden, afdeling promotie 0651875682 

https://uitgeverijprometheus.nl

Voor optredens, lezingen, voordracht, workshops, etcetera:

De SchrijversCentrale:

https://www.deschrijverscentrale.nl/auteurs/13547

Kuitenbrouwer Woorden Die Werken: hetty@woordendiewerken.com 0612984261

 

 

volgende pagina »