Wilders ís helemaal geen politicus

Geplaatst op september 11, 2019 | Gearchiveerd The Semidaily Kuitenbrouwser | Reageer

(VERSCHEEN OORSPRONKELIJK IN NRC HANDELSBLAD MAART 2014)

Het is geen ongewoon tafereel dat een lid van de Amerikaanse senaat met zijn rollator door de vergaderzaal schuifelt. Iedereen wacht geduldig tot de suppoosten hem achter spreekgestoelte getild hebben, hij zijn zakken aftast naar het papier van zijn speech, zijn leesbril trillend op de neus plaatst, een slokje water neemt, nog even naar zijn tekst tuurt en dan eindelijk het woord neemt. De 25 langst dienende Amerikaanse senatoren: de lijst gaat van 51 naar 35 dienstjaren en de kampioen, de democraat Robert C. Byrd, zwaaide nog maar onlangs af. Het Nederlandse record – 44 jaar –  werd gevestigd in 1946. Het gemiddelde in de huidige Tweede Kamer is een kleine vier jaar, recordhouders zijn Mariëtte Hamer, Harry van Bommel en Kees van der Staay, met bijna 16 jaar.

Waar zou dat verschil vandaan komen? Amerika heeft een districtstelsel: een volksvertegenwoordiger heeft een achterban. Kiezers die hem (m/v) naar de hoofdstad gestuurd hebben om hun belangen veilig te stellen. Als hij daar eenmaal zit hoeft hij geen extreme dingen meer te roepen en de talkshows af te lopen, hij moet regelen wat hij beloofde te gaan regelen. Doet hij dat niet, dan sturen ze de volgende keer zijn concurrent, met min of meer dezelfde missie. Logrolling, porkbarrels, bringing home the bacon, niet voor niets gaat het in de Amerikaanse politiek zo vaak over gevulde magen en een winddicht huis.

Ooit werd die districtsfunctie in Nederland vervuld door een uitgekiend stelsel van politieke machtsverdeling, ook wel de ‘zuilen’, maar sindsdien worden de ‘middelpuntvliedende krachten van de levensbeschouwelijkheid’ (Lijphart) niet meer beteugeld, losten de zuilen goeddeels op in het niets en hebben Kamerleden geen achterban meer, ook geen indirecte. Ze nemen hem niet mee als ze aantreden en ze blijven te kort aan als volksvertegenwoordiger om er een op te bouwen. Waar zij op beoordeeld worden is hun succes in de media, zij moeten voortdurend vechten om aandacht en dat zijn dus de vaardigheden waarop zij geselecteerd worden. Wat zij hebben is stagecraft. De X-factor. Zij worden ‘gecast’ voor een rol op het Haagse toneel, om het ‘geluid’ en het ‘plaatje’ dat zij kunnen bijdragen aan het ensemble. De Tweede Kamer als talentenjacht.

Maar entertainment is iets anders dan politiek. Het belangrijkste verschil is dat een artiest geeft en een politicus belooft. Artiesten wekken verwachtingen, maar hebben nooit een schuld. Politici willen eerst iets hebben – aandacht, stemmen, macht – en daar beloven zij ons iets voor terug. Een artiest die niet geeft nemen wij niets kwalijk, die vergeten we gewoon. Een politicus die niet geeft, vergeten we niet. Die krijgt pek en veren. Kunst en politiek zijn lastig te combineren, zie bijvoorbeeld Bono, die een goede popartiest was tot hij aan politiek ging doen en geen goede politicus werd omdat hij een popartiest is. De gever belooft en de belover geeft.

‘De kiezer waardeert nóg niet wat wij voor hem doen’ – wij hebben het Hans Spekman en Diederik Samsom de afgelopen maanden honderd keer horen zeggen. Het probleem in een notendop! Iets anders kúnnen ze niet zeggen. Zij hebben een schuld en een schuldenaar vraagt om respijt. Geduld. In deze tijd – ha!

Of neem de lotgevallen van Pieter Hilhorst. Wethouder Asscher krijgt de kans om door te schuiven naar een groter podium, zijn plaats komt vrij, maar geen nood, hij heeft al een nieuw talent op het oog. In overleg met Diederik Samsom cast hij hem als understudy en lanceert hem als opvolger: Pieter Hilhorst. A star is born. Pieter heeft geen district, geen achterban, geen ervaring en geen machtspositie. Het enige dat Pieter heeft is ambitie, talent, een leuk ‘naturel’, en enige bekendheid van televisie. Stagecraft. Oké, zegt het publiek, ga maar zingen. Maar Pieter heeft z’n jaar niet, Pieter kan de druk niet aan, Pieter had een nummer moeten kiezen dat beter bij zijn stem past, dus er komt niets van zijn optreden terecht. Geen van de rode stoelen komt in beweging. De politieke recensenten zijn vernietigend. Een flop! De producenten Asscher & Samsom halen hun schouders op. ‘Tja, wij zagen wel wat in hem, maar…. het komt er niet helemaal uít! Jammer.’ Het podium begint te draaien, er klinkt een valse scheepstoeter of het gehinnik van een paard, en de afgang is een feit. Next!

Het eerste dat tv-makers ‘s ochtends doen is hun kijkcijfers van de vorige avond opzoeken. Wat was het marktaandeel? En, ander belangrijk criterium: waar gaat het gesprek bij de koffiemachine over? Voor de politiek geldt hetzelfde. Want waar de mensen over praten, het ‘gesprek van de dag’, daar willen de media het over hebben. En de politiek dus ook.

Direct na Geert Wilders’ optreden op de Haagse verkiezingsavond – ‘Minder, minder!’ – barstte de discussie los: vertolkte hij daarmee nu wel of niet een reëel bestaand gevoelen onder de bevolking? Maar dat is de vraag helemaal niet. Er is geen land op aarde waar een willekeurige politicus niet op een willekeurig moment jegens een willekeurige minderheid een beangstigende hoeveelheid haat kan oproepen. Een Hutu warlord kan het met Tutsi’s doen, een Panamese gouverneur met kruideniers, een Tsjechische burgemeester met langharigen en een Noorse landdrost met Zen-boedhisten – het doet er niet toe, zolang er maar een mediasysteem is dat hen spreektijd geeft. Geef mij een microfoon en een minderheid en ik geef u een bloedbad. Dat is geen politiek, dat is biologie.

Nog steeds denken veel intellectuelen dat het populisme de stem van een genegeerde, misdeelde klasse is, de ‘slachtoffers van de globalisering’ of iets dergelijks, maar ik geloof daar niets van. Het populisme is een communicatiestrategie, een ‘spreekregime’ zoals de Vlaamse taalkundige Jan Blommaert het noemt. Een middel tot de macht. Waarom werd het niets met de eerste voorlopers van Wilders, Glimmerveen, Janmaat? Geen spreektijd. Waarom krijgt Wilders die wel? Omdat Wilders van alle moderne politici het best is aangepast aan de nieuwe, neoliberale mediacultuur, waarin alles draait om marktaandeel en rendement. Om show! De wetten van het entertainment. De politiek is verhuisd van het forum naar de arena – in Rome is het maar een paar honderd meter. Wie deze cultuur miskent sneuvelt, wie hem begrijpt maakt furore.

Sinds Wilders in 2005 de PVV begon zijn alle Nederlandse partijen van leider gewisseld. Wilders heeft een relatief lange levensduur want hij schaakt op het juiste bord. Hij geeft het systeem wat het ’t liefste eet.  Veel andere politici begrijpen het half: stagecraft, je moet aan je stagecraft werken! Mediatraining, snappy tekstschrijvers, stijladviseurs. Maar zij miskennen de wezenlijke grens die ze daarmee passeren: zij worden een entertainer. En een entertainer moet niet beloven, maar géven. Maar zij geven niets, of te weinig. En dan gaat de slijtage snel.

Maar Geert Wilders belooft toch ook alleen maar? Ja en nee. Politici houden van het woord ‘droom’. Maar altijd haasten zij zich eraan toe te voegen dat zij die ‘droom’ ook echt gaan realiseren. Waarmee zij het woord de facto devalueren tot een eufemisme voor ‘ambitie’. Is de essentie van een droom niet dat hij geen werkelijkheid kán worden? Daarom zijn de ‘dromen’ van politici ook vaak zo saai en obligaat: het zíjn helemaal geen dromen, want ze moeten sporen met een beleidsagenda. Ze worden doorgerekend op haalbaarheid door het CPB.

Wilders deed even half mee aan een kabinet, maar was dat een belofte? Verwachtten zijn kiezers werkelijk dat hij, behalve met verve de kritische gedoogpartner spelen, iets zou gaan doen? Wat zou dat dan zijn? Het vergezicht dat Wilders ons voorspiegelt, is dat ook maar enigszins realiseerbaar? Nee, Wilders’ droom is een échte droom: fantastisch en irreëel. Een sprookje zonder logica en consistentie, uit een wereld zonder zwaartekracht en tegenwind. Een fictie – het werk van een kunstenaar.

Wilders is een artiest, en dit was zijn nieuwste werk. Perfect getimed, perfect gelanceerd, en een enorme hit.

‘Willen wij meer of minder Marokkanen?’ riep hij.

‘Minder, minder!’ scandeerde zijn publiek. De natie ontplofte.

Zelf was ik het meest geschokt door het zinnetje dat daarna kwam: ‘Dan gaan wij dat regelen.’

Oeps. ‘Regelen’? De PVV regelt minder Marokkanen? Ik denk dat Wilders even last had van een oude Haagse reflex, van toen hij nog in de VVD-fractie zat. Toen hij nog politicus was. Minder Marokkanen, hoe zou Wilders dat willen ‘regelen’? Gaan ze de beroemde Chinese kunstenaar Liou Bolin inschakelen, die mensen zo beschildert dat je ze niet meer ziet, omdat ze wegvallen tegen hun achtergrond? Of moeten Marokkaanse Nederlanders binnenkort zo’n geel nummer aan hun oor, en dan de even en oneven nummers om beurten de straat op, zoals de auto’s in Parijs als er te veel smog is?

Pas op, Geert, onthóud dat nou: je bént geen politicus! Je bent een performer, een mediaster, een artiest. Niets beloven, alleen maar geven.

Geven, geven, geven. Dát is je geheim.

Kun je heel oud mee worden. Kijk naar Sinterklaas.

Werknemer geeft, werkgever neemt.

Geplaatst op juli 28, 2019 | Gearchiveerd The Semidaily Kuitenbrouwser | Reageer

De timmerman die deel uitmaakte van de ploeg die ons huis verbouwde heette Dirk. Dirk was een voorbeeld van wat wij vroeger thuis een ‘lucide OH’ noemden, een ouwehoer dus, maar wel een goeie.

‘Zeg Jan,’ zei Dirk dan bijvoorbeeld, terwijl hij een pasta stond te mengen om een gaatje mee te vullen, ‘jij bent toch van de taal? Leg mij dan eens uit hoe dit zit: ik geefmijn werk aan mijn baas, maar ik ben een werknemer, hij neemtmij werk, maar hij is een werkgever.’

Daar sta je dan, met je witkwast.

Of deze: ‘Een kast is kleiner dan een huis, maar een groot huis noem je ”een kast van een huis.” Dat zou dus juist een klein huis moeten zijn.’

‘Eh….’

‘Een bezemkast van een huis!’

Dan lachten we en ging Dirk zijn gaatje vullen, of wat hij precies aan het doen was. Dirkismen noem ik zulke paradoxjes sindsdien.

Van dat soort taalconstructies die niet gehoorzamen aan de grammatica zijn er zoveel, beweren taalkundigen nu, dat je je kunt afvragen of grammatica wel bestáát. De Amerikaanse linguiste Adele Goldberg is zo iemand. Dat hele Chomskiaanse idee van de taal als een soort firmware, een universele set regels waarmee we geboren worden en die we nog slechts hoeven te stofferen met het plaatselijke vocabulaire, is misschien wel onzin, stelt zij. Het kost bijvoorbeeld nauwelijks moeite om peuters zinsconstructies bij te brengen die volledig strijdig zijn met de grammatica, iets waar Chomsky’s oermodule zich toch enigszins tegen zou moeten verzetten. In een artikel in NRC Handelsblad over deze nieuwe  ‘constructionele’ taalkunde (het gaat om constructies, niet om regels) komt Dirks voorbeeld van de ‘kast van een huis’ ook weer ter sprake. ‘Een wolk van een baby’, ‘een boom van een vent’. In feite staat daar ‘een vriendin van een collega’ of ‘een boek van een kennis’ en toch weten we dat het hier niet gaat om een baby die in het bezit van een wolk is. Of neem de uitdrukking: ‘Hoe komt de zee zo zout?’ Zo zout komen, dat zou niet moeten mogen volgens Chomsky.

‘Wat doen jouw voeten daar op die bank?’

Alleen een astrante dertienjarige neemt die vraag letterlijk, het is duidelijk dat er iets anders bedoeld wordt.

Laatst had ik er weer een. Of beter mijn dochter J, die naast me in de auto zat te lezen.

‘Pap?’

‘Ja?’

‘Met ontbloot bovenlijf, dat is toch dat je van boven bloot bent?’

‘Ja.’

‘Vreemd. Ont-bloten, dat zou toch juist iets áántrekken moeten zijn?’

‘Eh…’

‘Als je iets ontmaskert haal je het masker weg, maar als je iets ontbloot, haal je niet het bloot weg, je máákt juist iets bloot.’

Geef toe, daar valt niet veel tegenin te brengen.

Ik moest aan Dirk denken. Die had er ook zo eentje. O ja.

‘Jan,’ zei hij, ‘als ik kosten maak, geef ik iets uit, maar als ik ónkosten maak, geef ik óók iets uit. Da’s toch vreemd?’

Ik denk dat Dirk de timmerman een intuïtief constructioneel taalkundige is.

 

 

 

 

 

15 miljoen mensen (not)

Geplaatst op december 4, 2018 | Gearchiveerd The Semidaily Kuitenbrouwser | Reageer

Het lijflied van de Nederlandse gele-hesjesbeweging, lees ik in de Volkskrant, is ’15 Miljoen Mensen’, een populair reclamelied van de Postbank uit 1996. Curieus dat juist dit lied nu als een ‘volkslied’ wordt gebruikt. Ik schreef er indertijd een column over in HP/DeTijd. Ik weet niet of ik het nog met alles eens ben, wat daar staat, maar met veel wel. En intussen hoor ik dat de Nederlandse gele hesjes dit lied kozen omdat zij Nederland anno 2018 zien als een land met 15 miljoen inwoners, dat wil zeggen ongeveer 3 miljoen minder dan het er op dit moment zijn – de indringers, de vreemdelingen. Anderen ontkennen dit weer – het is onduidelijk. Enfin die HP-column van toen:

Het wordt beschouwd als een van de grootste prestaties van een reclamebedenker: als zijn werkstuk niet alleen bestaansrecht heeft als reclame, maar ook als culturele bijdrage. Wanneer iemand die in de tram per ongeluk jouw paraplu pakt `Foutje, bedankt’ zegt, of wanneer veertigduizend mensen in Stadion Galgenwaard bij een concert van Prince spontaan `Olé, olé, Mora Kipsaté’ gaan zingen. Reclame die zichzelf vereeuwigt. Zoiets wilde de Postbank ook wel, en dus belden ze Fluitsma & Van Tijn, componisten van vele Nederlandse hits (‘Ademloos’ van Linda, Roos & Jessica bijvoorbeeld, een puike popsong, overigens)  en een van de beste copywriters van Nederland, Frank Pels, om een Postbank-lied te schrijven.
Het lukte. Het lied sloeg aan, binnen een paar weken lag het als single in alle platenwinkels en beklom het de hitlijsten.

Het heet `Vijftien Miljoen Mensen’.

De tekst:

Land van duizend meningen
Het land van nuchterheid
Met z’n allen op het strand
beschuit bij het ontbijt

Het land waar niemand zich laat gaan,
Behalve als we winnen
Dan breekt acuut de passie los,
Dan blijft geen mens meer binnen

Het land wars van betutteling
Geen uniform is heilig
Een zoon die noemt zijn vader Piet
Een fiets staat nergens veilig

Vijfien miljoen mensen
Op dat hele kleine stukje aarde
Die schrijf je niet de wetten voor
Die laat je in hun waarde
Vijftien miljoen mensen
Op dat hele kleine stukje aarde
Die moeten niet het keurslijf in
Die laat je in hun waarde

Het land vol groepen van protest
Geen chef die echt de baas is
De gordijnen altijd open zijn
De lunch een broodje kaas is

Het land vol van verdraagzaamheid
Alleen niet voor de buurman
De grote vraag die blijft altijd
Waar betaalt’ie nou zijn huur van?

Het land dat zorgt voor iedereen
Geen hond die van de goot weet
Met nassiballen in de muur
En niemand die droog brood eet!

Vijftien miljoen mensen,
etc.

Sommige reclamemakers hebben zo veel talent dat je je afvraagt waarom zij het gebruiken om kattenbrokjes of poedersoep te verkopen, maar dat in Frank Pels een naoorlogse Louis Davids verloren is gegaan, daar hoeven we geloof ik niet bang voor te zijn.
`Groepen van protest’ – zelfs voor een Sinterklaasgedicht is dat een wat magere oplossing. En onnodig, `actiecomité’s’ past precies.
En die mensen die `niet meer binnenblijven’ vanwege de `accuut losbrekende passie’ – ook geen lesmateriaal voor een poëziecursus.
“Dit is de radionieuwsdienst, verzorgd door het ANP. In Amsterdam is vanavond accuut de passie losgebroken. Er bleef geen mens meer binnen.”
Maar goed, waar het om gaat is de inhoud.
Een mix van moet-kunnen-sentiment, deugdzame zelfvertedering, well-to-do borrelpraat en voetbalpopulisme, overgoten met multiculturele Coca-Colastroop, ja, het is een duivelse cocktail die de Postbank ons hier voorzet.
Dat `keurslijf ‘bijvoorbeeld, wat zou de dichter daarmee bedoeld hebben? Nederland? Keurslijf? Waar dan? De enige situatie waarin ik wel eens het gevoel heb dat ik een keurslijf wordt gedrongen is, eh, nou, eigenlijk alleen als ik in de rij sta bij de Postbank. Eén stap over de rode streep en de Postbanklokettist tikt vermanend tegen het kogelvrije glas. Eén week te lang rood er er hangt iemand aan de telefoon die wil weten wat er aan de hands is, en je herinnert aan de regels. Keurslijf? De Postbank heeft het uitgevonden!
Nee, de Postbank is een menslievende, anarchistische organisatie waar ze tégen keurslijven zijn en en vóór zitten het gras, toegestaan of niet.
En dat er in Nederland ‘niemand droog brood eet’, hoe komt Pels daarbij? Omdat er nasiballen in de muur liggen? Zoals bekend denken kleuters vaak dat de ijscoman zijn ijsjes gewoon uitdeelt; ze weten nog niet precies wat kopen is. Het ene kind ontwaakt wat eerder uit die illusie dan het andere, maar bij Frank Pels is het misverstand wel érg lang blijven hangen! Hij denkt kennelijk dat je het voedsel achter die kleine glazen klepjes in de automatiek gewoon kunt pakken als je honger hebt. Ja, dan ben je natuurlijk wel gek als je droog brood eet.

En dat in dit land ‘niemand zich laat gaan’ behalve bij een voetbalwedstrijd, waar haalt de schrijver dat vandaan? Waar zouden al die stille tochten dan toch vandaan komen? Al die waxineprocessies en teddybeerofferandes, omdat er weer eens iemand doodgeschopt is zonder enige reden. Land van korte lontjes, zou ik zeggen, wat aardig rijmt op ‘wildschijtende hondjes’.

Deze tekst, schat ik, is het werk van een man die ergens buiten woont, in een vrijstaand huis, omheind door een stevig hek, voorzien van een duur alarmsysteem. Zijn auto staat warm en beveiligd in de garage, ook op kantoor, zodat hij maar zelden door de stad loopt, behalve tijdens zijn wekelijkse bezoek aan het winkelcentrum, met zijn vrouw. Dan ziet hij bij de Febo de gratis kroketten en nasiballen achter de ruitjes ziet liggen en denkt bij zichzelf: sjongejonge, wij hebben het toch maar goed. Hij glimlacht om de resten van een roze damesfiets, schilderachtig bungelend in een lantaarnpaal, en denkt: jasses, wat zou het toch jammer zijn als de fietsen in dit landje veilig op slot stonden. Hij ontwijkt nog net op tijd een hondendrol en grapt vertederd tegen zijn vrouw: `Zelfs de honden weten in dit prachtige land niet van de goot’. Hij geniet van het gevarieerde, informele straatbeeld, en denkt: snotverjume, wat zou het eeuwig zonde zijn dit alles in een keurslijf van wetten en regeltjes gepropt werd. Wat zou ons wekelijkse uurtje alledaags Nederland dán saai worden!

Dat is het Nederland dat hier bezongen wordt. Het Nederland waarin je altijd zwart staat, en elk moment de deur van je villa achter je kan dichtrekken. Dat je als bank soms gewoon glashard nee moet zeggen tegen die bijstandsmoeder die een ‘pee-elletje’ nodig heeft om de wasmachine te laten repareren, dat is het probleem niet, dat hoort er allemaal bij, dat weten wij echt wel, maar is het niet een beetje schijnheilig, wat zeg ik, schaamteloos, om te doen alsof zulke mensen überhaupt niet bestáán? Alsof in dit retegave land de nasiballen gewoon voor het grijpen liggen?
De schrijver van dit lied zou misschien eens een paar maanden op een GDH-woning in Oost gezet moeten worden, met een uitkering en een standaard Postbankrekeningetje. Het lied wat hij dán schrijft, dat wil ik wel horen.

YouTube Preview Image

 

 

ZOJUIST VERSCHENEN: ‘DATADICTATUUR’

Geplaatst op oktober 18, 2018 | Gearchiveerd The Semidaily Kuitenbrouwser | Reageer

In ‘Datadictatuur’ onderzoek ik in hoeverre het internet zijn belofte heeft waargemaakt van ‘machtsvrije publieke ruimte’, een begrip gemunt door de Duitse filosoof Jurgen Habermas, als een wezenlijke voorwaarde voor een gezonde democratie. Als beginnend journalist met belangstelling voor technologie was ik begin jaren tachtig getuige van de uitvinding en opmars van het internet. In ‘Datadictatuur’ reconstrueer ik hoe het zich sindsdien ontwikkelde, van een funky tegencultuur van nerds en geeks tot het centrale zenuwstelsel van de wereld en het grootste economische machtsblok aller tijden. En tot een allesbehalve ‘machtsvrije’ publieke ruimte, die zich in hoge mate onttrekt aan de beschavingsnormen van de ‘normale’ wereld. Een systeem dat onze privacy niet respecteert, ons niet beschermt tegen verbale terreur en pesterij, heimelijk onze gedachten manipuleert en economische sectoren ontwricht. Hoe heeft het zover kunnen komen? En: wat kunnen wij eraan doen? Dat zijn de de vragen waarop ‘Datadictatuur’ het antwoord geeft.

‘Datadictatuur’ is het boek over het internet dat u wél uitleest. Waarna u nooit meer met dezelfde ogen naar dat beeldscherm kijkt.

Koop het in een brick-and-mortar boekenwinkel

https://www.scheltema.nl

https://www.athenaeum.nl

https://www.libris.nl/voorhoeve

https://www.libris.nl/broese/

Of anders hier:

https://nrcwebwinkel.nl/catalogsearch/result/?q=kuitenbrouwer

https://www.bol.com/nl/p/nieuw-licht-datadictatuur/9200000099879669/

Voor interviews: Uitgeverij Prometheus, Jan van Helden, afdeling promotie 0651875682 

https://uitgeverijprometheus.nl

Voor optredens, lezingen, voordracht, workshops, etcetera:

De SchrijversCentrale:

https://www.deschrijverscentrale.nl/auteurs/13547

Kuitenbrouwer Woorden Die Werken: hetty@woordendiewerken.com 0612984261

 

 

De war is in ons allemaal

Geplaatst op oktober 1, 2018 | Gearchiveerd The Semidaily Kuitenbrouwser | Reageer

Afgelopen donderdag vond het Slotcongres plaats van het Schakelteam Mensen Met Verward Gedrag, een commissie, om dat ouderwetse woord even te gebruiken, onder voorzitterschap van Onno Hoes, die advies heeft uitgebracht aan de regering over hoe om te gaan met het verschijnsel ‘verward persoon’, of, zoals het Schakelteam ze liever noemt, ‘personen met verward gedrag’. Mij was gevraagd om een beschouwing te houden over dit intrigerende, maatschappelijke fenomeen.  Hier mijn tekst.

Geachte aanwezigen, interessant om te zien dat de zaal zo vol zit, terwijl wij hier vanmiddag spreken over niet bestaand probleem en een stigmatiserend containerbegrip dat direct zou moeten worden afgeschaft. En voor u nu denkt dat dit de gratuite mening van een columnist is, nee, nee, hier zijn gezaghebbende deskundigen aan het woord. Damiaan Denys, hoogleraar psychiatrie aan de UvA, zei vorige week in een interview in NRC: ‘Verwarde personen? Die bestáán niet. Het ís geen categorie. Het is verward gedrag dat in de openbare ruimte niet meer wordt getolereerd. Niet door burgers en niet door de politie.’ En Jacobine Geel, voorzitter van GGZ Nederland, noemt het een ‘stigmatiserende vergaarbak voor allerlei vormen van instabiliteit’, en Dr. Bauke Koekkoek, auteur van ‘Verward in Nederland’, pleit ervoor de term maar helemaal af te schaffen. Lees verder

volgende pagina »