Sterk & Zwart

Geplaatst op augustus 23, 2017 | Gearchiveerd Sterk & Zwart | Reageer

– Jij nog koffie?

– Ja doe maar een macchiato.

– En, het nieuwe genderneutrale toilet gezien?

– Ja. Cool toch?

– Cor was boos.

– Cor als in ex-Corry?

– Ja. Die heeft zich jaren verheugd op de dag dat zij naar de mannen-wc kon. Zij droomde ervan! Ooit zal ik in een urinoir pissen, als een echte man! Is het eindelijk zover, schaffen ze het af!

– Die nieuwe toilet heeft geen urinoir? Was me niet opgevallen.

– Ja ja, wij moeten voortaan gewoon in de pot plassen. Bril omhoog, netjes mikken, schoonmaken als het ernaast gaat … waarom?

– Of gaan zitten natuurlijk.

– Ja. Dus een genderneutrale wc is eigenlijk gewoon een vrouwen-wc?

– Komt het wel op neer, ja.

– Arme Cor!

– Tja. We kunnen natuurlijk niet met iederéén rekening houden!

Roos, Duk, De Winter: gekte of strategie?

Geplaatst op juli 25, 2017 | Gearchiveerd NRC HANDELSBLAD, The Semidaily Kuitenbrouwser | 1 Reactie

Jan Roos, die het Oekraine-rerendum opzette en daarna vergeefs probeerde de Tweede Kamer in te komen, vroeg zich op Twitter af: ‘Wat is dat toch met ‘kanker’ en de allochtone jeugd’? De krachtterm ‘kanker’ is een oer-Hollands verschijnsel, daar is weinig allochtoons aan. Diverse lezers, waaronder filmregisseur Martin Koolhoven, attendeerden Roos daarop. Roos’ reactie was fascinerend. ‘Kool is een deugmens,’ schreef hij, ‘die gaat het over een woordje hebben, in plaats van de bedreigingen uit die hoek.’

Hoe moeten wij dit noemen? Het is zoiets als waarop je bedacht moet zijn in gesprek met een vierjarige. Een cognitieve afzwaaier. Ooit sorteren die hersencellen zich uit en ontstaat er iets van orde en logica in dat brein. Maar geef toe, als het normaal is geworden dat in de nieuwsmedia haast dagelijks incoherente mensen optreden, is er toch iets vreemds gebeurd met onze cultuur. Ja, oké, ooit hadden wij Willem Oltmans, maar vergeleken met Jan Roos was die een toonbeeld van eruditie en bedachtzaamheid.

Of neem Wierd Duk. Journalist, historicus, tegenwoordig in dienst bij het Algemeen Dagblad en vaak te zien in talkshows. In die landelijke krant en die veelbekeken programma’s vertelt Duk voortdurend dat er voor radicaalrechtse meningen als de zijne in Nederland geen ruimte is. Je leest het, je kijkt ernaar, en denkt: wat is hier aan de hand? Is deze man doof voor zijn eigen stem? Is dit een vierjarige in het lichaam van een vijftiger? Waarom zit deze man op een gewone stoel? Is dat wel veilig?

Naast Duk zit dan vaak iemand anders, eerder genoemde Jan Roos bijvoorbeeld, maar het kan ook Leon de Winter zijn, die het helemaal met Duk eens is dat voor hún mening in Nederland géén ruimte is. Als tv-toestellen een logica-alarm hadden, zou het gepiep oorverdovend zijn. De Winter wil het ook nog even hebben over het ongeluk onlangs bij het Centraal Station van Amsterdam, waarbij een man een paar voetgangers omver reed. Hoewel inmiddels naar tevredenheid van ook de argwanendste waarnemers vast staat dat dit een heus ongeval was –een suikerzieke man raakte onwel en verloor de macht over het stuur – is De Winter nog steeds van mening dat het hier om een islamterrorist gaat en een doofpotoperatie van de lokale autoriteiten. Ooit was Leon de Winter een serieuze schrijver, maar er lijkt iets te zijn misgegaan in dat hoofd.

Om terug te komen op Wierd Duk: die zei onlangs in een interview dat Rusland geen dictatuur is. ‘Als je je niet met de politiek bemoeit en je niet te veel tegen de macht verzet, kun je daar prima leven.’ Het zijn de media die ons een totaal verkeerd beeld van Rusland en Poetin geven, meent Duk.

Duk publiceert wel vaker onzin. Onlangs schreef hij in het AD dat ‘wereldwijd vijftig miljoen moslims bereid zijn tot het gebruiken van geweld’. Het bleek te gaan om ongeveer vijftig miljoen moslims wereldwijd die geweld accepteren als middel om de islam te verdedigen. Iets heel anders dus. Het verdedigen of bevechten van godsdienstvrijheid – als alleen de islam daar aan deed, zouden de geschiedenisboeken heel wat dunner zijn.

De journalist Jeroen Wollaars citeerde een deel van Duk’s uitspraken over Rusland op Twitter, letterlijk. Duk’s reactie: ‘Jij maakt jezelf nu totaal belachelijk.’

Eh…?

Het wonderlijke is: het went. Om een of andere reden hebben wij de neiging om dit soort idiotie te vergoelijken. Dat totale communicatiedefect, tussen mensen die verder zo weinig lijken te verschillen, burgers van hetzelfde land, beoefenaren van het zelfde vak, die geen gesprek meer met elkaar kunnen voeren, het maakt ons nerveus. Zo kunnen wij toch niet leven met elkaar?

Maar zoals alle cognitieve dissonanten geven wij dit soort ongerijmdheden gewoon een plek, samen met de kip en het ei, de twee losse sokken die elkaar nooit vinden en meer van dat soort raadsels. Het is onbegrijpelijk, het is irritant, maar wij zullen er mee moeten leven. De toestand normaliseert zich, de uitersten trekken weer naar elkaar. Niemand wil graag alleen aan de zijlijn staan, roepend dat het allemaal niet klopt

Hubert Smeets, bijvoorbeeld, oud-redacteur van NRC handelsblad en oud-collega correspondent van Duk, verweet hem naar aanleiding van zijn uitspraken over Rusland ‘gebrek aan intellectuele discipline’. Tja. Duk kan in talkshows verschijnen en in het AD schrijven, er zijn langzamerhand aardig wat aanwijzingen dat hij niet goed bij zijn hoofd is. Je hebt verschil van inzicht, en je hebt gekte, laten we het één vooral niet met het ander verwarren.

Het pijnlijke is dat mensen als Duk, Roos en de Winter waarschijnlijk niet gek zíjn, maar welbewust de gek uíthangen. Het is een strategie. De bedoeling van al die verzinsels is niet om ze tot ‘waarheid’ te verheffen, de bedoeling is het zaaien van verwarring en twijfel, aan alles. Net als die oneindige stroom knettergekke verzinsels die Trump en zijn team de wereld in helpen: het is een bewuste strategie van desoriëntatie en conditionering, zodat het publiek op een gegeven moment niet meer weet wát het moet geloven. Wij zíjn helemaal niet gebrainwashed, zoals radicaalrechts altijd beweert, wij wórden gebrainwashed. Door hen.

4 mei: een morele maskerade

Geplaatst op mei 10, 2017 | Gearchiveerd The Semidaily Kuitenbrouwser | Reageer

In Amsterdam werd in april 2017 het initiatief genomen om bij de dodenherdenking van 4 mei ook drieduizend vluchtelingen te gedenken die omkwamen bij hun tocht naar Europa. Een van de organisatoren verklaarde in het AD dat vluchtelingen uit bijvoorbeeld Syrië moeten worden beschouwd als ‘de verzetsstrijders van vandaag’. Zij is kennelijk niet bekend met het biologische principe van fight or flight.

Het CIDI protesteerde tegen dit voornemen en waarschuwde voor ‘verwatering’ van de nationale dodenherdenking. Het Nationaal Comité 4 en 5 mei sloot zich daarbij aan. Vice-voorzitter Jaap Smit: ‘Als je alles herdenkt, loop je het risico dat je niks herdenkt.’ Een waar woord. Dat het Comité zelf ook ter harte zou mogen nemen. Want: wie herdenken wij nu eigenlijk op 4 mei, en als wat? En: Weet het Comité dat zelf eigenlijk?

In 1946, toen onze 4/5-mei traditie begon, was het een logische combinatie: eerst gedenken wij hen die hun leven gaven, dan drogen wij onze tranen en vieren wij waarvóór zij hun leven gaven: onze vrijheid. ‘In blijvende dankbaarheid jegens allen die waar ook ter wereld hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid,’ zoals de officiële tekst sinds 2015 luidt. In datzelfde jaar sprak Premier Rutte op 4 mei van ‘dappere Nederlandse mannen en vrouwen, die vochten en vechten voor vrijheid, vrede, rechtvaardigheid. Gesneuveld in de strijd voor het goede.’

Maar wie zijn dat dan precies? Ik citeer het ‘Memorandum voor de Herdenking’: ‘allen – burgers en militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen of vermoord sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, en daarna in oorlogssituaties en bij vredesoperaties’.

Oftewel: de 7900 Nederlandse militairen die tussen ‘40 en ‘45 omkwamen, plus 2000 verzetsmensen, 102.000 Nederlandse joden en 89.000 (niet-joodse) burgers. De 5000 Nederlandse soldaten en 150.000 Nederlandse burgers die tussen 1946 en 1950 in Indonesië stierven. Sindsdien kwamen in Korea, Libanon, de Sinaï, Cambodja, voormalig Joegoslavië, Kosovo, Ethiopië, Irak, Afghanistan en Mali nog eens 161 Nederlandse soldaten om, hoofdzakelijk bij vredesmissies.

Bijna 400.000 Nederlanders die hun leven gaven voor de vrijheid en het goede? Dat klopt niet. Bijvoorbeeld: Die 89.000 burgers die gedood werden in de Tweede Wereldoorlog, stierven die ergens voor? Nee, die waren op het verkeerde moment op de verkeerde plek. Oorlogsslachtoffers? Ja. Gevallenen voor vrijheid, vrede en rechtvaardigheid? Nee.

Die 102.000 Nederlandse joden. Stierven zíj voor onze vrijheid? Of ‘het goede’? Nee, het afgrijselijke aan de Shoah is juist dat de joden nergens om of voor stierven. Om ze te eren of dank te zeggen voor welk offer dan ook, is in feite beledigend.

Toen kwamen de ‘Politionele Acties’.

Mijn vader vocht in Indonesië, van 1946 tot 1950. Hij kwam levend terug, maar diverse van zijn pelotongenoten niet. Waarvoor stierven zíj? De vrijheid? Om slaven te houden, grondstoffen te roven en een volk te onderdrukken? Wat eufemistisch wordt aangeduid als de ‘politionele acties’ was in werkelijkheid een koloniale burgeroorlog, waarbij de soldaten en combattanten, aan weerszijden van de frontlijn, Nederlandse onderdanen waren. Maar het Comité 4 en 5 mei stelt: ‘Wij herdenken slachtoffers, geen daders.’ Hoe kan dat?

En: ‘slachtoffers’? ‘Tijdens de Nationale Herdenking op 4 mei herdenken wij alle slachtoffers samen’, zegt het Nationaal Comité. Van Dale definieert ‘slachtoffer’ als ‘iemand die buiten zijn schuld lichamelijke, financiële of geestelijke schade lijdt.’ ‘Buiten zijn schuld’ – dat lijkt militairen die omkomen in de strijd uit te sluiten. Het discours rond de Nationale Dodenherdenking is een rommeltje.

Wie een sluitende omschrijving wil geven van de doden die wij op 4 mei herdenken, komt uit op zoiets als: ‘Mensen die stierven voor de goede zaak, mensen die achteraf gezien helaas aan de verkeerde kant stonden en mensen die helaas pech hadden’.  En daaronder is dus maar een zeer kleine minderheid die feitelijk zijn leven gaf voor vrijheid en democratie.

Het naoorlogse morele landschap kende maar twee kleuren: zwart en wit. De 4 en 5 mei-traditie wortelt in dat landschap, en gaat eraan voorbij dat het kleurenspectrum van de moraal meer assen kent waarop Goed en Kwaad tegenover elkaar kunnen staan. Dat er na de Tweede Wereldoorlog andere conflicten zijn geweest waar Nederland bij betrokken was en dat de ‘goede’ kant niet per definitie de kant is waar de Nederlandse vlag wappert. Dat een oorlogsdode niet vanzelf een oorlogsheld is, omdat hij een Nederlands paspoort draagt.  Neem soldaat eerste klasse Raviv van Renssen. Hij behoorde tot het Dutchbat-onderdeel gelegerd bij Srebrenica, in juli 1995. Twee dagen voor de Servische massamoord werd hij getroffen door een verdwaalde handgranaat en overleed in het hospitaal van Potocari. Op 4 mei herdenken wij hem als gevallene voor vrijheid en rechtvaardigheid. Zijn collega’s die levend thuis kwamen staan te boek als antihelden.

Als iemand de dodenherdenking van 4 mei ‘verwaterd’ heeft, dan is het ‘t Nationaal Comité zelf. Het doet denken aan de inflatie van het begrip ‘held’: belangenloze opoffering is geen vereiste mee. Een voetbalmiljonair die naar verachting scoort is tegenwoordig ook een ‘held’.

De dodenherdenking van 4 mei is toe aan een herijking. Wie herdenken wij precies, en in welke hoedanigheid? Zij die hun leven gaven voor ‘het goede’ en zij die omkwamen door oorlogsgeweld  zonder meer – beide categorieën zijn wat mij betreft de moeite van het herdenken waard. Het voornaamste doel van dit soort herdenkingen is psychologisch: het herdenken van eerdere oorlogen weerhoudt ons hopelijk van een nieuwe, dus hoe meer slachtoffers je herdenkt, des te beter.

Maar als elke Nederlandse oorlogsdode, of hij nu een Jodentransport saboteerde, een Javaans rijstdorp platbrandde of door een luchtalarm heen sliep, wordt bijgezet als gevallene voor ‘het goede’, maken wij het ons nationale geweten wel érg makkelijk. Dat is de definitie van verwatering. In die zin koesteren wij op 4 mei een morele maskerade.

De Scandinavische politieserie: een richtlijn.

Geplaatst op april 24, 2017 | Gearchiveerd NRC HANDELSBLAD, NRC Next, The Semidaily Kuitenbrouwser | 1 Reactie

VAN: Platform Exportbevordering Scandinavische Audiovisuele Producten (PESAP)

AAN: Alle cultuurministers van de Noordse Raad-landen, Denemarken, Zweden, Noorwegen, Finland en IJsland. Te verspreiden onder relevante film- en tv-producenten.

Hier volgen enkele richtlijnen voor het maken van een Scandinavische politieserie.

– De leader bestaat uit luchtopnamen van de stad waar eea zich afspeelt, semi-abstracte dronebeelden van industrieterreinen, waterwegen, havens, bruggen, bij dag en bij nacht. Muziek: gitaarakkoorden met veel galm en een een ijle, desolate zangstem. Lees verder

Nieuw rechts is juist pro-elite

Geplaatst op april 10, 2017 | Gearchiveerd NRC HANDELSBLAD, NRC Next, The Semidaily Kuitenbrouwser | Reageer

Het afgeven op ‘elites’ heeft inmiddels zo’n hoge vlucht genomen dat Thierry Baudet van Forum voor Democratie waarschijnlijk dacht: ik moet mij onderscheiden met een andere term. Dat werd ‘kartel’. FvD bindt de strijd aan met ‘het partijkartel’. Het eerste concrete voorstel dat Baudet deed, direct na de verkiezingen, was om met eminente persoonlijkheden uit wetenschap, politiek en economie een zakenkabinet te vormen. Een soort superkartel, zeg maar. Want je bent anti-kartel.

(Je weet toch.) Lees verder

« ga terugvolgende pagina »