Loop de bloedige hond

Geplaatst op maart 18, 2004 | Gearchiveerd onder Geen categorie | Reageer

Onlangs ging het in B&W over het slaan van kinderen. Over ouderlijk geweld, kindermishandeling, het ouderwetse pak rammel, de welbekende draai om de oren, billenkoek (voorheen billekoek), de muilpeer, de oorvijg, de okkernoot, (slaan en eten gaan goed samen), de pedagogische tik, de educatieve uppercut, het psychologische knietje, de schop onder het hol (binnenkant of bovenkant schoen?), de machteloze, half afzwaaiende pets, de onvoltooide dreigklap, het met de koppen tegen elkaar slaan (dat strikt genomen geen slaan í­s), het in de Peel schijnbaar nog voorkomende knokkelklieven, met de botte dan wel de scherpe kant van het mes, (vooral toegepast voor het aanleren van tafelmanieren), de riem, de wandelstok, het rietje, de karwats (met of zonder knoopjes), de kleerhanger, het pingpongbatje, het tennisracket, of, zoals Hedenlands zich persoonlijk nog goed herinnert, de slappe slof.

Gans dit kleurrijk taaleigen zal met de taboeïsering van de opvoedkundige oplawaai geleidelijk uitsterven, maar goed, alle vooruitgang eist zijn tol en terwijl het ene hoekje van de immer tierige heemtuin die onze taal heet verdort, vindt elders plots een uitbraak van ongekende nieuwe variëteiten plaats, die zijn eigen verrukkingen kent en het verdriet om verloren soorten snel doet vergeten.
In dezelfde uitzending viel Hedenlands al iets op dat deel zou kunnen uitmaken van zo’n subspecies in opkomst. Een van de sprekers was een man die zich afvroeg waarom je, als het om lichamelijk geweld gaat, ten aanzien van minderjarigen andere normen zou hanteren dan ten aanzien van meerderjarigen.
‘Als het bij volwassenen niet mag,’ zei hij, ‘waarom mag het dan bij kinderen wel? Dat is wat mij puzzelt.’
Puzzelen als overgankelijk werkwoord. Niet: ik puzzel, maar ik ben gepuzzeld of ik word gepuzzeld. Of om precies te zijn: het voltooid deelwoord van het overgankelijke werkwoord puzzelen, gebruikt als bijvoeglijk naamwoord.
Komt natuurlijk uit het Engels.

‘What’s wrong?’
‘I’m puzzled.’
‘What’s puzzling you?’
‘Well, this puzzle.’
‘You’re right, it’s quite puzzling.’
‘But then, it wouldn’t be a puzzle if it wasn’t, now would it?’
‘No, I guess that’s true.’

(Tot zover Walter en Conny over het werkwoord to puzzle.)

Signaleerden wij enkele jaren geleden al uitdrukkingen als ‘bij de weg’ en ‘niet mijn kopje thee’, en stuiten wij sindsdien ook met enige regelmaat op merkwaardige mengvormen, onlangs nog in uw eigen Volkskrant, bijvoorbeeld, toen over Gretta Duisenberg werd opgemerkt dat ‘small talk niet haar ding is’ – met deze laatste aanwinst lijkt wat betreft de anglificatie van ons idioom toch een doorbraak te worden geforceerd.
Een wereld aan nieuwe mogelijkheden ontvouwt zich.

‘Ga je nog mee de hond lopen?’
‘Kom op zeg, het regent katten en honden.’
‘Dus wat?’
‘Je bent in drie minuten wekend nat!’
‘Wie geeft een poep?’
‘Ik geef een poep!’
‘Bloedige regen ook.’
‘Dat kun je nog wel een keer zeggen.’
‘Bloedige, neukende regen.’
‘Ja oké, maar wat over de hond.’
‘Neuk de hond. Die kan zichzelf wel lopen.’
‘Ach ja, wat de hel.’
‘Kom maar Rakker, ga maar loopjes! Toe maar, loopjes!’
‘Goed zo, daar is een goede hond.’

Reacties

Laat een bericht achter