Buiten Spel

Geplaatst op april 2, 2004 | Gearchiveerd onder Geen categorie | Reageer

Als het werkelijk om de toon van het debat gaat, waar blijft dan de oproep aan Abu Jah Jah of het misschien wat genuanceerder kan?

Bij de Droomvlucht, een van de populairste attracties van de Efteling, stond een rij van anderhalf uur. (Dat kon je zien aan de klokken die langs het wachtparcours waren opgesteld.) Toen wij ongeveer een uur geduldig hadden voortgeschuifeld tussen het zigzaggende dranghek, naderde een vader met zijn ongeveer tienjarige zoontje. Hij hielp het ventje tussen de spijlen door zodat hij een paar plaatsen voor ons kwam te staan. ‘Ja hallo!’ riep iemand, ‘zó werkt dat niet hoor!’ Eerst keek de man verbaasd om zich heen, alsof hij geen idee had wat hij fout deed, maar in werkelijkheid natuurlijk om na te gaan of de protesterende man op bijval kon rekenen. Toen hij iets te veel strenge blikken ontmoette, onder andere van ons, haalde hij zijn zoontje weer uit de rij. Vervolgens keek hij de man aan die geprotesteerd had en zei: ‘Dat kan toch ook wel op een andere tóón?’

Je ziet het vaker tegenwoordig.

Mensen doen de onbeschoftste dingen, maar als de reactie ook maar een fractie minder hartelijk getoonzet is dan de telefoniste van Vodafone of de aanbiedingen-omroepster van V&D, kun je de wind van voren krijgen. Een fietser rijdt over je teen op de zebra, en als je roept ‘Hé! kun je niet uitkijken?!’ maakt de piraat alsnog een noodstop en informeert of je dat niet ‘fatsoenlijk kunt vragen.’

‘Wanneer je het niet eens bent met de inhoud, is de toon ook al gauw verkeerd,’ hoorde ik afgelopen zondag in Buitenhof iemand zeggen in een discussie over het integratiebeleid. Het was Marco Pastors, wethouder van Rotterdam en een van Pim Fortuyns oudste politieke getrouwen. Tegenover hem zat Pierre Heijnen, PvdA-wethouder van Den Haag, die vorige week het plan lanceerde om in de gemeentelijke stukken van Den Haag het woord ‘allochtoon’ niet meer te gebruiken.

Paul Cliteur, die kort daarvoor aan dezelfde tafel zat om uit te leggen waarom hij zich terugtrekt uit het publieke debat over lastige onderwerpen, had misschien eens met Pastors moeten praten, voor hij dat besluit nam. Want zo is het precies: de sprekers die Cliteur en anderen oproepen tot het matigen van hun toon, mensen als Marcel Van Dam, Jacques Wallage, Thijs Woltgens, Piet Grijs en Els Borst, zijn ook de sprekers die het debat erover decennialang uit de weg gegaan zijn en hun eerste zinnige bijdrage nog moeten leveren.

Het is een oud recept: als je geen argumenten hebt tegen het verhaal van je tegenstander (of je hebt ze wel maar wilt ze uit politiek opportunisme liever niet uitspreken, zoals in dit geval), rest maar één uitweg: proberen de ander het zwijgen op te leggen. Door te klagen over z’n toon, bijvoorbeeld. Ik bedoel: als het wérkelijk om de toon gaat, waar blijft dan de oproep aan Abu Jah Jah of het van zijn kant misschien ook wat genuanceerder kan?

Ook de bekende ‘onderbuik’ komt op zo’n moment meestal tevoorschijn, zoals afgelopen zaterdag nog in een interview met Els Borst in NRC Handelsblad. ‘De onderbuik heeft lang genoeg geregeerd,’ meent zij.

Die onderbuikers, realiseren zij zich niet dat als het hoofd en het hart van Nederland (de politiek en de overheid) zich dit probleem de afgelopen dertig jaar serieus hadden aangetrokken, de onderbuik er nooit aan te pas was gekomen? Een medica als Els Borst zou toch moeten weten dat als de onderbuik rommelt, er meestal al veel eerder iets misgegaan is.

Bovendien, iemand die vermaningen omtrent de toon doet uitgaan matigt zich aan dat hij de regie voert, en dat is precies wat de onderbuikers en de toonklagers beogen: de indruk wekken dat alleen zij met het voorrecht bekleed zijn om over dit of dat onderwerp een uitspraak te doen, en anderen slechts aan het gesprek mogen deelnemen als ze zich voegen naar hun aanwijzingen. Zo is het gelukkig niet geregeld in een democratie: de debattanten bepalen zelf de toon en wie moeite heeft met die toon, moet een ander debat zoeken.

In de sport hebben ze voor de ouder wordende liefhebber speciale teams, ‘veteranen’ worden ze meestal genoemd, waar wat langzamer en minder fanatiek gespeeld wordt, zodat ze hun broze botten niet breken. Soms staan de oudjes na afloop nog even langs de lijn bij een juniorenwedstrijd en mopperen wat over vermeende spelverruwing. Dat ze ook nog naar de jonge spelers gaan roepen dat het kalmer aan moet, is niet gebruikelijk, de meeeste veteranen weten ook wel dat een echte sporter zich daar niets van aantrekt.
Cliteur is een getalenteerde junior die zich door een stel reumatische veteranen van het veld heeft laten sturen.

Reacties

Laat een bericht achter