Paul Scheffers verkeerde plank

Geplaatst op april 9, 2018 | Gearchiveerd onder The Semidaily Kuitenbrouwser | Reageer

HP DE TIJD,  FEBRUARI 2000

Het is onnodig te zeggen dat Paul Scheffers noodkreet over het multiculturele drama dat zich in dit land voltrekt, grote verdiensten heeft, deze en andere krantenpagina’s getuigen er al weken van. De doorbreking van het multiculturele taboe is een taaie aangelegenheid en Scheffers betoog is een belangrijke bijdrage, eerder nog misschien vanwege wie hij is en waar zijn stuk verscheen dan vanwege wat er in stond. Frits Bolkestein maakte het spreken over deze dingen vijf jaar geleden al een stuk minder suspect, maar hij bleef natuurlijk een VVD’er. Dat ‘argument’ kan tegen een nette, progressieve intellectueel als Scheffer in elk geval niet worden ingebracht, en dat is winst, zoals het tegenwoordig heet.

Het gekke aan Scheffers stuk is dat de symptomen die hij signaleert juist zijn, hij er ook de juiste urgentie aan toekent, ook de remedie die hij suggereert lijkt me een zinnige, en dat alles terwijl zijn diagnose niet klopt.

Nadat hij het probleem geschetst heeft, een reusachtige sociaal-economische achterstand van het gestaag groeiende allochtone deel van de bevolking, het ontstaan van een kansloze etnische onderklasse (daags na zijn artikel nog eens onderstreept door alarmerende cijfers over de segregatie in het lager onderwijs) vraagt Scheffer zich af hoe het zover heeft kunnen komen.

Hoewel hij aanvankelijk wel een vergelijking maakt met de sociale kwestie (‘zo energiek als de sociale kwestie’ van weleer te lijf is gegaan, zo aarzelend wordt nu omgegaan met het multiculturele drama dat zich onder onze ogen voltrekt’) trekt hij die lijn niet door en concentreert hij zich bij het zoeken van de oorzaak van dit falen op culturele factoren.

De oorzaak, stelt hij, ligt in ons geringe culturele zelfbewustzijn en aarzeling onze cultuur op te dringen aan nieuwkomers,  terwijl wij ons onderwijl wel dubieuze elementen van hún cultuur laten aanleunen.

Wij bieden de allochtone agente een politiehoofddoekje aan, wij willen de allochtone middelbare scholier niet lastig vallen met 40-45, wij gaan door onze culturele knieën om ze musea, muziekzalen en theaters in te krijgen, en wij zijn niet trots op onze moedertaal, die we hen dus ook niet verplicht aanleren.

‘De politieke bovenlaag die vroeger over een duidelijke beschavingsmissie beschikte, twijfelt aan zichzelf en verliest meer en meer zijn greep op de maatschappelijke werkelijkheid,’ stelt Scheffer somber.

In dat woord ‘beschavingsmissie’ zit het hem. Scheffer denkt dat wanneer wij immigranten maar zouden volpompen met onze voortreffelijke Nederlandse cultuur, het allemaal wel goed zou komen. Het is zeer de vraag of dit klopt. Frankrijk heeft geen enkele last van een lage culturele eigendunk, integendeel, en toch bestaat ook daar een kansloze allochtone onderklasse.

Het probleem is niet dat wij de allochtonen buiten onze cultuurhebben gesloten, maar dat we ze uitgesloten hebben van onze samenleving.En een samenleving is in de eerste plaats een economie. Daar begínt het mee. Die denkfout wordt vaker gemaakt, Bill Clinton kan ervan meepraten. En in navolging van Clintons campagneadviseurs destijds, zou ik nu Paul Scheffer willen toeroepen: it’s the economy, stupid!

Niet dat die Nederlandse culturele zelfhaat een verzinsel is, zeker niet, ook op deze pagina’s zijn daar al vaak voorbeelden van gegeven, maar ik ben toch bang dat het hier beside the pointis. Die Nederlandse culturele zelfhaat is iets van alle tijden. De laatste twintig, dertig jaar heeft hij vooral de gedaante aangenomen van wat Emma Brunt ‘etnodweep’ genoemd heeft en ikzelf in mijn boek Heb Ik Iets Verkeerds Gezegd? (1996) gehekeld heb onder het kopje ‘Eigen Volk Shit.’ Denk aan Hedy D’Ancona die kraait hoe we dankzij de multiculturele samenleving eindelijk geen spruitjes meer hoeven te eten, denk aan Annemarie Grewel die schreef: ‘Ik ben erg vóór de smeltkroes, komen wij tenminste eindelijk eens van die nare witte huid af.’ Of aan Jan Rot die op televisie een vies gezicht trekt bij bepaalde muziek omdat die hem ‘véél te blank’ is.

Zelf gaf Scheffer onlangs tijdens een discussiebijeenkomst in de Rode Hoed nog het voorbeeld van Carry Van Bruggen, die schreef dat de Nederlander aan zijn taal hecht zoals de Volendammer aan zijn wijde broek.

Een ergerlijke houding, zeker, maar is het wel zuiver om je wrevel over zo weinig culturele fierheid om te zetten in een pleidooi voor rigoureuze acculturatie van de nieuwkomers? Zou een cursus reculturatie voor de Rots en de Grewels en de Dancona’s dan niet effectiever zijn?

En ís het wel de houding waaraan wij dit drama aan te danken hebben?

Waren etnodweep en eigen-volk-shit de ware reden dat wij de allochtonen niet ingeburgerd hebben? Ik vrees van niet. Wij hebben de allochtonen niet ingeburgerd omdat we het niet nodig vonden.Mensen die inburgeren hebben namelijk de hinderlijke de neiging mee te willen praten over van alles en nog wat, en daar hadden wij helemaal geen behoefte aan. Wij wílden helemaal niet dat de allochtonen meededen, en de taalbarrière kwam ons daarbij goed van pas. ‘Jij niet goed praten, jij uitkering, jij naar koffiehuis.’

Dat Scheffer zo op de taal hamert is heel terecht, alleen hij doet het om de verkeerde reden. Waaromis die taal zo belangrijk? Lang voordat iemand zich via een taal cultureel integreert, integreert hij zich er economisch en sociaal  mee. Taal is de ziel van de cultuur,  maar cultuur bestaat alleen bij gratie van een groep, en een groep bestaat alleen bij gratie van taal. Taal en cultuur zijn geen doel, taal en cultuur zijn een middel.Bertolt Brecht zei het al: Erst das kommt das Fressen, dann komt die Moral.

Een allochtoon die de Nederlandse taal niet kent, kan niet delen in ‘in onze collectieve herinnering’, zoals Scheffer het stemmig uitdrukt, en dat is spijtig, maar hij kan ook niet op het postkantoor werken, en dat is pas echt spijtig!

Het Multiculturele Drama is niet het gevolg van een cultureel verraad aan onszelf, zoals Scheffer suggereert, maar van een sociaal verraad aan hén.

Dat sociaal-economische emancipatie een voorwaarde is voor culturele harmonie, en niet andersom, blijkt uit het voorbeeld van de Nederlandse Chinezen –  in amper twee generaties opgeklommen van ambulante pindaventers tot horecaondernemers. Het feit dat het de gemiddelde Nederlandse Chinees worst zal wezen waar de Rijn ons land binnenkomt, wie Willem van Oranje  was en wat het verschil tussen kennen en kunnen is, hebben wij daar last van? Is dat een probleem? Nee, want de Chinezen doppen hun eigen boontjes, leveren een gewaardeerde maatschappelijke bijdrage en bezorgen niemand last.

Ook Frankrijk tolereert zulke culturele enclaves. En waarom niet? Als dat met wederzijds profijt mogelijk is – zij een beter bestaan, wij tjap-tjoi en ba-pao – is daar toch niets op tegen? Wanneer ontstonden de eerste ‘problemen’ met de Nederlandse Chinezen? Toen het mis begon te gaan met hun restaurantbusiness en zij alsnog te biecht moesten in de Nederlandse economie. Toen móesten ze de taal en de cultuur wel leren, oftewel: integreren. (Hetgeen ze dan ook meteen deden.)

Of neem de Nederlandse Vietnamezen. Volgens alle berichten gaat het daar heel goed mee, maar integreren of assimileren doen ze niet. Althans, de eerst generatie niet, hun kinderen wel. Maar is een eerste, niet-geïntegreerde generatie niet succesvol, bijvoorbeeld omdat het werk waarvoor ze hierheen gehaald werden niet meer bestaat, zoals in het geval van de ‘gastarbeiders’, de Turken en Marokkanen, dan integreren ook de kinderen niet. Dan kleeft men bijeen in hulpeloosheid die leidt tot verongelijktheid die leidt tot wrok die leidt tot onmaatschappelijk gedrag dat leidt tot criminaliteit.

Moeten wij, in een tijd dat op de Nederlandse hoofdkantoren van Nederlandse multinationals (waar wij zo graag meer allochtonen zouden tegenkomen) de voertaal officieel het Engels is, in een tijd dat Nederlandse universiteiten (waar wij zo graag meer allochtone jongeren naartoe zagen gaan) serieus overwegen het Engels als standaardtaal in te voeren, in een tijd dat de Nederlandse taal van alledag massaal geïnfiltreerd wordt door het Engels, tegenover nieuwkomers gaan doen alsof het Nederlands ons enige en onvervreemdbare culturele levensbloed is? Wij, Nederlanders, meet een eeuwenoude traditie van minachting voor onze moedertaal? Zou dat niet een beetje ongeloofwaardig zijn? Het is ook niet nodig. Eén en dezelfde taal, daar gaat het om, of dat Nederlands moet zijn of Engels of Esperanto is een andere discussie. Tweetaligheid is voor de meeste Nederlanders misschien iets vreemds, maar voor de rest van de wereld is het iets heel gewoons, er zijn miljarden mensen die een dialect én de nationale standaardtaal spreken. Friezen spreken in het openbaar Nederlands en thuis Fries, dat mag een Turk wat mij betreft ook, zolang hij die standaardtaal maar goed beheerst. Voor de cultuur als geheel geldt hetzelfde: hoe hij er precies uitziet doet er niet toe, als je hem maar deelt, want dan vorm je een groep en kun je met elkaar uit de voeten (of niet).

De ‘gespleten loyaliteiten’ die Scheffer zo beangstigen, hoeven bij een geslaagde sociaal-economische integratie geen probleem te zijn. De dreiging zit hem er niet in dat veel allochtonen anders denken en voelen, maar in het feit dat ze have-nots zijn, met niets te verliezen.

Vergelijk het met het feminisme.

Ooit, in de jaren zestig keerden feministen de man de rug toe, gingen op zoek naar een nieuwe identiteit voor zichzelf (de de crewcut, de roze tuinbroek, samen kuttenkijken, enzovoort.) en verklaarden de mannelijk gedomineerde samenleving de oorlog. Toen ze merkten dat ze hier weinig mee opschoten, zich in een isolement plaatsten en minder radicale vrouwen afstoten, onderging het feminisme een koerswijziging, gericht op sociaal-economische emancipatie. Op het verwerven van macht en financiële onafhankelijkheid. Op meedoen, om dan, eenmaal aangekomen op die machtsposities, verandering af te dwingen.

Stel dat de rechtzinnig gereformeerde gemeenschap van Nederland een armlastige, achterlijke, onze taal niet sprekende onderklasse was. Dan zou de gezeten burgerij zich wel bedenken om hen allerlei culturele en religieuze privileges toe te staan. Maar de zwartekousers en de artikel 31-ers en hoe ze allemaal heten, zijn brave harde werkers die een keurige bijdrage aan het BNP leveren en op tijd (bijna al hun) hun belasting betalen. En dus krijgen ze hun speciale voorrechten en laten we ze met rust, daar aan de Veluwezoom.

Maken wij ons zorgen om de ‘gespleten loyaliteit’ van het honderdduizendkoppige EO-leger? Die tegen de evolutieleer, homoseksualiteit en vrouwenemancipatie zijn? Nee, het is in Nederland al eeuwen gebruik om religieuze minderheden ontheffingen te geven voor wetten en regels die tegen hun geloof in gaan. Niet op zondag maar op zaterdag voetballen? Veel plezier. Op godsdienstige gronden niet in de WAO? Regelen we voor u. Joods en op zondag de winkels open? Doet u maar. Jehova en dus geen dienstplicht? Moet kunnen. Nota bene: vrijstelling van de dienstplicht, dat raakt aan de grondwet, maar dat soort regelingen treffen wij voor godsdienstige minderheden. Wij zijn daar goed in. Wij hebben zelfs een heel eigen systeem ontwikkeld voor het accomoderen van ‘gespleten loyaliteiten’, het zogenaamde zuilensysteem. Dat heeft maar één functie: het verzoenen van plichten aan god en plichten aan de staat.

Norman Podhoretz  noemt het a brutal bargain, wij zouden zeggen: het is een koehandel. En die koehandel geldt voor de zwartkousen en de Jehova’s net zo goed als voor de Chinezen en de Islamieten. Maar dan moeten ze wel iets hébben om handel me te kunnen drijven.

Daarom is het door Scheffer bekritiseerde idee om moslim-agentes een moslim-politiehoofddoekje te geven, ook geen goed voorbeeld van het onheil dat hij vreest. ‘Blijkbaar vraagt men zich niet af of deze koestering van eigen identiteit wel samengaat met het streven naar emancipatie,’ bromt Scheffer. Naar emancipatie, of naar gedwongen culturele gelijkschakeling? Een moslim-politieagente ís al geëmancipeerd. Zij dóet mee, zij heeft in de nieuwe samenleving een positie van aanzien en respect verworven. Wat zij vervolgens wil (dit even for arguments sake, ik weet ook wel dat dit soort gimmicks bedacht word door witte politiecommissarissen die wanhopig proberen meer allochtonen in het korps krijgen) is een stukje culturele erkenning. En wat is daar eigenlijk tegen? Wie daar bang voor is moet eens kijken naar de weidse variëteit aan hoofddeksels die politieagenten tegenwoordig ter beschikking staat. Vroeger had je alleen platte pet, inmiddels zijn daar bijgekomen: de officiële politieijsmuts, de officiële politie-baseballpet, de officiële politiefietshelm, de officiële politiedamesbaret, een merkwaardig Pollewop-achtig dameshoedje, diverse kekke gelegenheidshelmpjes, en waarschijnlijk zijn er nog wel meer. Waarom is dat? Om tegemoet te komen aan het recht van de moderne politieagent op enige mate van ‘modieuze zelfexpressie’, respectievelijk het recht om niet voor lul te lopen. En het recht op enige mate van religieuzezelfexpressie kunnen wij immigranten-politiemensen niet toestaan? Deze steunpilaren van de samenleving? Ik zit er niet mee.

De allochtoon die níets te verliezen heeft, daar moeten we bang voor zijn. Díe is gevoelig voor fundamentalistische indoctrinatie en extremisme. En de remedie daartegen is niet Dutch pride,maar onderwijs en werkgelegenheid.

‘Er zijn minder bronnen voor saamhorigheid dan vroeger’ schrijft Scheffer. Misschien, maar de beste bron van saamhorigheid is sociale gelijkwaardigheid.

Laten we bovendien niet doen alsof er in de islam nooit iets zal veranderen, de verkiezingen in Iran bewijzen het tegendeel. Ook in de donkerste uithoeken van de wereld doen CNN en de Yankee dollarhun zegenrijke werk.

‘De vergelijking met de verzuiling gaat niet op,’ schrijft Scheffer, ‘segregatie in het onderwijs door zwarte en witte scholen is natuurlijk van een geheel andere orde dan de scheiding van openbare en bijzondere scholen’, maar dat is een non-sequitur. Onderwijsverzuilinggebeurt vrijwillig, onderwijssegregatiegrotendeels onvrijwillig,en zijn dus niet met elkaar te vergelijken.

Nogmaals: Scheffer heeft groot gelijk, maar om de verkeerde redenen.

Waar wij in hebben gefaald is niet de ‘beschaving’ maar de verheffingder allochtonen, om even in de klassieke termen te blijven. Dát is het multiculturele drama: dat de sociale beweging de afgelopen dertig, veertig jaar voor de allochtone kansarmen niet gedaan heeft wat ze voor de autochtone kansarmen sinds begin vorige eeuw wél stelselmatig gedaan heeft: hen de mogelijkheid geven (en zonodig opdringen) om zich maatschappelijk te ontplooien.

Met een immigrant kun je twee dingen doen: je kunt hem binnenlaten en je kunt hem de toegang weigeren. Maar als je hem binnenlaat moet je hem behandelen als je gelijke. Wat niet kan is hem binnenlaten, maar als tweederangs burger, en toch is dat is precies wat we al die tijd gedaan hebben. Waarmee we, in de door Scheffer geciteerde woorden van J.A.A Van Doorn, ‘de Nederlandse geschiedenis een halve eeuw of langer hebben teruggezet.’

Terwijl zij bezig waren de kansarme autochtone onderklasse te verheffen hebben roergangers als Den Uyl en Kok, sociaaldemocraten en vakbondsleiders, pal onder hun eigen neus een nieuwe laten ontstaan. Hebben wij toegestaan dat het sociale stelsel, bedoeld om kansarmen te beschermen voor als ze niet mee kondendoen, voor allochtone kansarmen gebruikt werd om te voorkomen dat ze mee gingen doen.

Het succes van de verzorgingsstaat was in zekere zin zelfs de pech van de allochtoon, want dankzij de auto, de slaapstad, de loonronde, de middenschool en al die andere verworvenheden konden de autochtone arbeiders hun oude wijken de rug toekeren, en werd wat er aan solidariteit en identificatie tussen Nederlanders en nieuwkomers was, tenietgedaan. De allochtonen spaarden die paar tientjes extra huur liever uit, en bleven achter met hun knoflookdampen. Ook dat kwam ons goed uit. En diezelfde onverschilligheid hebben we op onze kinderen overgebracht. Zodra die ook maar enige hinder ondervonden van hun allochtone klasgenootjes-met-achterstand, haalden we ze van de gemengde school en stuurden ze naar een witte, zodat zij opgroeien zonder kennis van, contact met of committment aan die andere wereld.

We stonden erbij en we keken ernaar. De regering, de vakbonden, de SER, de oppositie, de kiezer. Wie de lotgevallen van de initiatief-Wet Bevordering Arbeidskansen Allochtonen erop naslaat (Nieuwkomers, Nakomelingen Nederlanders, Penninx, Lucassen, 1994), hoe  die wet eerst totaal werd uitgekleed en vervolgens ook nog eens niet gehandhaafd, stijgt het schaamrood-wit-blauw naar de kaken.

Nederland is een land van Geen Daden Maar Woorden, en geen onderwerp illustreert het zo schrijnend als het vreemdelingenvraagstuk. Op zondagmiddag verdringen wij ons op het Museumplein om te protesteren tegen aanslagen op allochtonenpensions in Duitsland of de regeringsdeelname van een extreemrechtse partij in Oostenrijk, en op maandagochtend leggen we de sollicitatiebrief van die Marokkaan toch maar onderop te stapel.

Dat dat in Nederland misschien wel tientallen keren per dag gebeurt, zoals al vele onderzoeken hebben aangetoond, elke dag weer – systematische & koelbloedige discriminatie – dát is het Multiculturele Drama.

Vooral voor sociaaldemocraten is dat een bittere, pijnlijke waarheid. Misschien dat Scheffer dáárom liever de hand in culturele boezem steekt, maar de juiste plek is het niet.

 

 

 

 

 

Reacties

Laat een bericht achter